Comment

Through the looking glass: Noord-Korea

Noord-Korea is één van die laatste onverklaarbare landen in de wereld, een relict uit communistische tijden. Een land dat verkiezingen organiseert maar dan wel met één kandidaat, zonder kieshokjes en met registratie van wie tegen de Dierbare Leider stemt. Een land dat niet meer communistisch is, maar een mix kent van collectivisme, xenofobie, nationalisme en idolatrie van de Kim familie die over het noorden van het schiereiland heerst als een dynastie. Een land dat met  “juche” een eigen ideologie ontwikkelde, een combinatie van een verheerlijking van haar leiders en de partij met economische onafhankelijkheid maar wel een enorme hongersnood kende na het instorten van de Sovjet-Unie, haar voornaamste handelspartner. Een land waar de burgers door chronische ondervoeding gemiddeld 7.5cm korter zijn dan in het Zuiden, maar dat wel onlangs een skigebied neerpootte voor haar elite. Een verontrustend land, waar niemand echt vat op heeft. Maar waarom is Noord-Korea wat het vandaag is? Hoe is de situatie nu? En is er uitzicht op een Noord-Koreaanse perestroika en glasnost?


Voor we deze vragen beantwoorden moet opgemerkt worden dat informatie over Noord-Korea op zijn best fragmentarisch, vaak niet correct en soms contradictorisch is. Een maandje geleden maakten we ons bijvoorbeeld collectief vrolijk over het bericht dat elke man in Noord-Korea het kapsel van Kim Jong-Un moest overnemen. Nu wil ik niets gezegd over of het al dan niet een goed idee is om het fashionable kapsel van de Dierbare Leider over te nemen, maar het hele verhaal bleek een hoax. De internationale media kopieerden klakkeloos een dubieus en warrig bericht uit The Korea Times. Door de propaganda, de geïsoleerde positie van The Hermit Kingdom en occasionele machtsstrijd is niemand meer zeker wat waar en niet waar is van de spaarzame informatie die het land uit lekt. Blogs zoals North Korea Econ Watch en North Korea Leadership Watch proberen dit te remediëren maar gaan vaak af op satellietbeelden en de berichten van de staatsmedia. De Amerikaan die het meest contact heeft met huidige sterke man Kim Jong-Un is… Dennis Rodman, een ex-basketter die met Kim Jong-Un een liefde voor het spelletje deelt. We houden dan ook best in het achterhoofd dat elke voorspelling over Noord-Korea een tocht door het duister is. We houden ook best in het achterhoofd hoe allesbepalend de propaganda is in Noord-Korea en wat een bizarre gevolgen dit heeft. Het Noorden heeft bv. decennia lang een “model village” onderhouden in de gedemilitariseerde zone tussen Noord- en Zuid Korea, in het zicht van het Zuiden. Onderhouden, want de prijs om er te wonen is niet eens te bevatten voor de gemiddelde Noord-Koreaan. En dus zijn er mensen die lichten aan- en afzetten, vegen en schrobben om de illusie van activiteit in een spookdorp op te wekken. Dit terwijl op de straten van Pyongyang kinderen verhongeren. Doublethink. 


Kroniek van een transformatie

Maar eerst een geschiedenislesje. Grondlegger van de Kim-dynastie en Noord-Korea is Kim Il-Sung, overleden in 1994 maar volgens de Noord-Koreaanse grondwet nog steeds eeuwige president. Kim Il-Sung startte als rebellenleider en vocht tegen de Japanse overheersing vanuit China. Later verhuisde hij naar de Sovjet-Unie, volgde er speciale training en leidde voor het Rode Leger een divisie in WOII. Samen met de Sovjet-troepen keerde hij begin augustus terug naar Noord-Korea. Enkele dagen voorheen waren Hiroshima en Nagasaki van de kaart geveegd en brak de suïcidale Japanse vechtlust eindelijk. De Sovjets hielden halt aan de 38th parallel zoals afgesproken met de Amerikanen die een  maandje later arriveerden en het land samen met de Sovjets verdeelden in een USSR-occupied zone en een USA-occupied zone. 


Kim Il-Sung werd door de Sovjets aan het roer van Noord-Korea geplaatst, een positie die hij al snel gebruikte om de Korean People’s Army (KPA) op te richten met ex-guerrilla’s en ander vriendelijk volk. Stalin ondersteunde de KPA met materiaal en opleidingen. Enkele jaren later, in 1948, was de situatie al heel wat ongemakkelijker tussen de twee grootmachten die Korea verdeelden. De UN stuurde aan op verkiezingen over het hele land maar Kim-Il-Sung overtuigde de Russen tot een veto tegen deze plannen, een beslissing die twee landen deed ontstaan: de Republic of Korea (ROK) in het zuiden en de Democratic People’s Republic of Korea (DPRK) in het Noorden met de 38th parallel als demarcatielijn. Top op vandaag ligt hier de Korean Demilitarized Zone (DMZ), een buffergebied waar de twee landen elkaar in de ogen kijken. Kim werd premier van de DPRK en chairman van de Workers Party of Korea (WPK) met volledige steun van de USSR.


Het betekende het startschot van een rondje communistje spelen: collectiviseren van de economie en consolideren van de politieke macht. Tegen 1949 was meer dan 90% van de economie in handen van de staat die vol inzette op zware industrie en productie. Alle politieke partijen waren en zijn verenigd in  de “Democratic Front for the Reunification of the Fatherland”. Vanzelfsprekend stemt iedereen in dit Fatherland Front zoals de Kims willen. Het is een klassieke communistische truc en wie ooit in het DDR museum in Berlijn geweest is zal zich wel nog de “stemmachine” herinneren met alle politieke partijen: alles wat je doet komt op een “ja” neer. In enkele jaren toverde Kim Il-Sung  Noord-Korea dus om tot een volwaardige communistische staat, al lieten de landbouwhervormingen gericht op collectivisme (alweer zo’n succesformule) nog zo’n tien jaar op zich wachten.


Kim Il-Sung wou echter meer: een hereniging van het Koreaanse schiereiland onder controle van de Noord-Koreaanse instituties. Vanaf 1949 drong hij aan op een invasie bij Stalin en Mao Zedong. Die laatste had net met Noord-Koreaanse steun de Chinese burgeroorlog definitief beslecht. De Chinezen leverden meer dan een miljoen manschappen. De USSR wilde niet de rechtstreekse confrontatie met Amerikaanse troepen aangaan maar zat achter de schermen wel aan de knoppen. Er werd een aanvalsplan opgesteld voor na het vertrek van de VS-troepen in 1949. Op 25 juni 1950 staken Noord-Koreaanse troepen de 38th parallel over. Het leger dat uit geharde veteranen en guerilla’s bestond en goed voorzien was van Sovjet-oorlogstuig overspoelde de Zuid-Koreanen, in de minderheid en met nauwelijks materiaal. Enkele dagen later viel Seoul en een paar maanden later stonden de Noord-Koreanen in Pusan, aan de andere kant van het schiereiland dus. De Amerikaanse oorlogsmachine schoot echter in actie, net als de Chinese. Een jaar van constante invasies en counters ging twee jaar impasse vooraf en uiteindelijk werd de vredespijp gerookt. De onderhandelingen legden de grens op de 38thparallel en ondanks een miljoen doden (waaronder enkele honderden Belgen) waren beide blokken geen stap verder.


Na de oorlog bouwde Kim Il-Sung zijn kapotgeschoten land weer op met steun van de Soviets en Chinezen en bouwde hij in de daaropvolgende decennia zijn communistische staat en vooral de cultus rond zijn persoon verder uit. In de jaren ’50 en ‘60 hield Noord-Korea gelijke tred met Zuid-Korea op economisch vlak en was de levensstandaard vergelijkbaar. Kim Il-Sung introduceerde in deze periode “juche”, de Noord-Koreaanse variëteit van het Marxisme-Leninisme. Volgens de Noord-Koreaanse propaganda is het een verbeterde versie van het communisme met Aziatische accenten. Het betekent een focus op politieke onafhankelijkheid, economische zelfvoorziening en een sterke defensie (het leger slokt een groot deel van de middelen op). Het betekent ook het vereren van een Grote Leider die de massa gidst. Het is de voorhoedepartij van Lenin maar dan nog een stapje verder en geconcentreerd in één persoon, die alles in handen heeft om een dictator te worden. Het leidt tot een waanzinnige personaliteitscultus met de meest bizarre mythes over de perfectie en onfeilbaarheid van de Grote Leiders. 


Ondanks de mooie praatjes stootte het centraal geplande systeem met  focus op mijnbouw, staalproductie en zware industrie al in de jaren ’70 op zijn grenzen. De “afschaffing van belastingen” in 1974 (u raadde het al, pure propaganda) bracht niet veel zoden aan de dijk. De jaren ’70 en ’80 betekenden economische stagnatie en eind jaren ’80 daalde de economische output al. Dit was ook de periode waarin Noord-Korea in toenemende mate geïsoleerd raakte. Het rigide economische en politieke systeem reageerde niet op de economische hervormingen in China, reageerde niet op de Gorbatsjov-jaren en zelfs niet op de val van het communisme in Oost-Europa. 


Het is ergens in die jaren dat Noord-Korea definitief het plot en elke realiteitszin verloor.  Kim Il-Sung overleed in 1994 maar zijn zoon Kim Jong-Il runde op dat moment al enkele jaren Noord-Korea. Of wat er nog over bleef om überhaupt te runnen, want de val van de USSR betekende dat het “economisch onafhankelijke” Noord-Korea zijn voornaamste sponsor en handelspartner verloor. De economie ging in vrije val, had niet de middelen om te moderniseren en het regime bleef hardnekkig vasthouden aan de rigide centrale planning. Natuurrampen in de vorm van droogtes afgewisseld met overstromingen bleken de druppel. In de jaren 1994-1997 kende Noord-Korea bittere hongersnood die op zijn minst honderdduizenden en misschien wel miljoenen het leven kostte.

Sindsdien is Noord-Korea afhankelijk van buitenlandse voedselsteun en worstelt het met zijn voedselvoorziening.  Eenmaal de rook opgetrokken was in 1997 had Kim Jong-Il zijn positie geconsolideerd. Hij introduceerde Songun oftewel “military first”, en Noord-Korea werd de facto een militaire dictatuur. Aan de communistische idealen wordt tegenwoordig slechts lippendienst bewezen, als ze al vermeld worden. De centrale planning bleef maar de Workers Party of Korea is grotendeels symbolisch geworden.  Juche verbasterde tot een collectivistische, extreem racistische, extreem nationalistische, totalitaire ideologie die veel dichter bij fascisme dan bij communisme staat en enkel dient om het leger en de Kims aan de macht te houden. Begin jaren ’90 werd ook het nucleaire programma opgestart. 


En zo werd Noord-Korea een heel ander beestje dan tijdens de Koude Oorlog. Facties rond de generaals en de Kim-familie controleren en verdelen de welvaart. De collectivistische economie wordt in stand gehouden omwille van zelfverrijking en nepotisme, niet om communistische idealen. Alle contact met de buitenwereld is verboden. De bevolking leeft als slaven. Verhalen over bittere armoede en genadeloze repressie is alles wat uit Noord-Korea komt. De weinige informatie die we hebben gaat dan ook nog eens vaak over Pyongyang, de modelstad waar weeskinderen bedelen op straat.  Het is gissen naar de situatie in bv. Chongjing in het noordoosten. 


Dit alles veranderde niet met de dood van Kim Jong-Il in 2011 en de opvolging door Kim Jong-Un. Kim Jong-Un, ongeveer in de 30 en vermoedelijk deels opgeleid in Zwitserland, heeft het beleid verdergezet. Daarvoor verstevigde hij eerst zijn greep op de macht. De onverwachte dood van zijn vader Kim Jong-Il zorgde voor een gespannen periode waarin oompje Jang Song-Thaek de transitie begeleidde en en passant heel wat macht in zijn eigen handen concentreerde. Kim Jong-Un werd verder gehinderd door enkele adviseurs, neergepoot door zijn vader om hem te helpen, en de oude, ervaren partij- en legerkaders die zijn leiderschap in vraag stelden. Korte hoop op Kim Jong-Un als een mogelijke hervormer werd de kop ingedrukt toen de jonge leider zich eind 2013 sterk genoeg voelde om aan de grote opkuis te beginnen. Tientallen toplui uit het leger en partij werden gedegradeerd of uit de weg geruimd.  Vooral de executie van Jang Song-Thaek was opvallend. Jang Song-Thaek werd naast de partij, leger en de Kims steeds meer een ‘vierde economie’. Zijn executie lijkt een logische stap, maar de leden van de Kim-familie werden altijd veilig geacht. Jang Song-Thaek regelde bovendien de relaties met China. De executie gebeurde ook heel publiek: de staatsmedia verspreidden foto’s van Jang Song-Thaek die weggesleurd werd van een vergadering van het Politburo. Sinds februari is ook Choe Ryong Hae, de tweede “regent” die de machtsovergang begeleidde, niet meer in het openbaar gezien. De koelbloedige “purge” lijkt het pad te effenen voor een derde cultus rond Kim Jong-Un en het voortbestaan van Noord-Korea zoals we het vandaag kennen. 


Toekomstperspectieven

Met de machtsconsolidatie van de jonge Kim Jong-Un lijkt alles dus zijn oude, bizarre gangetje te gaan in Noord-Korea. Is er hoop op verbetering? 
Een eerste mogelijkheid is verandering van binnenuit in de vorm van een paleisrevolutie. Die hoop lijkt echter de kop ingedrukt met de executie van de kliek rond Jang Song-Thaek. Een generaal of zwaargewicht die de Kim-familie aan de kant schuift biedt ook geen garantie op hervormingen. De Noord-Koreaanse elite is vooral bezorgd om haar eigen comfortabel leventje. Toch zou de situatie instabieler kunnen zijn dan ze lijkt. Sommige bronnen menen dat Jang Song-Thaek aan de kant geschoven werd door een factie binnen het leger die zijn klim naar de macht afkeurde. Het is gissen naar de greep van Kim Jong-Un op het leger. Als de KPA zijn manschappen niet meer kan voeden zou een rebellie of een uiteenvallen van het leger zomaar kunnen. Opnieuw zorgt gebrekkige informatie voor onzekerheid. Er lekken heel wat incidenten uit, maar het is gokken naar het waarheidsgehalte hiervan.


Een tweede mogelijkheid is een Koreaanse “Wende”. Een eengemaakt Korea betekent meer invloed en een grotere economie. De Zuid-Koreaanse presidente Park Geun-hye zet in op een hereniging en richtte al een comité op die dit moet voorbereiden. Het herenigen van families, cross-border infrastructuur en “re-integratie” tussen de twee volkeren zijn dan de eerste stappen op weg naar een eengemaakt Korea. Ook deze piste kent genoeg obstakels. De belangrijkste is dat de uitgestoken hand met bijtende kritiek wordt afgeslaan over de grens. De Noord-Koreaanse staatsmedia gingen in overdrive en noemden Park Geun-Hye een “dirty comfort woman for the US and despicable prostitute selling off the nation”. De Zuid-Koreaanse bevolking kijkt vooral naar de enorme kosten op korte termijn.  Van de generaties die nu opgroeien vindt slechts 14% dat een Noord-Koreaan “one of us” is. Een Koreaanse hereniging is nog veraf, en de kosten voor het opnemen van het straatarme Noorden worden elke dag groter.


Een derde mogelijkheid is de Chinese invloed. Voor de dood van Mao in 1976 kende China veel overeenkomsten met het Noord-Koreaanse model. De verschillende wegen die daarna genomen zijn, kunnen misschien als inspiratie dienen. Na de dood van Mao en een laatste stuiptrekking van zijn getrouwen (“The Gang of Five”) nam Deng Xiaoping het over. Zijn “one center and two basic points” politiek overleefde de Tiananmen opstand van 1989 en werd zo definitief de leidraad voor Chinese hervormingen. Het centrale punt was economische ontwikkeling, één van de basic points was “reform and opening up”. Beroemd is de uitspraak ‘it doesn’t matter if a cat is white or black, as long as it catches the mice’. Terwijl de communistische retoriek en propaganda op volle toeren draaide kende China liberale hervormingen. Vandaag wordt er over “rule of law” gepraat en is China sinds 2011 WTO-lid. De Chinese invloed op Noord-Korea is echter steeds beperkter. Noord-Korea is al lang geen bondgenoot meer, maar wordt in stand gehouden als bufferstaat. China wil geen Amerikaanse troepen bij haar grenzen, en is ook niet happig om een stroom Noord-Koreaanse immigranten op te vangen bij een openen van de grenzen. Het regime in Noord-Korea wordt grilliger en steeds minder voorspelbaar, maar een Chinese interventie is weinig waarschijnlijk. Beijing beperkt zich voorlopig tot het ondersteunen van het regime, uit vrees voor een ongecontroleerde krach.

En toch zit er muziek in deze piste. De Chinese invloed op het beleid van Noord-Korea kalft af, maar China dient misschien wel als economisch voorbeeld. Onlangs kondigde Noord-Korea de opstart van elf speciale economische zones aan die in China in de jaren ’70 zo veel veranderden: “The economic development zones are special economic zones where preferential treatments are guaranteed in accordance with appropriate laws as provided by the state”. Er lijken hervormingen in de landbouw te komen richting family farms eerder dan collectivistische, een evolutie die China in eigen land nu al volop ondersteunt. Onder impuls van Mongolië zijn er weer voorzichtige contacten met Japan over ontvoeringen van Japanse burgers door Noord-Korea. De inter-Koreaanse handel leeft weer op met de heropstart van het Kaesong project , een speciale regio met een gezamenlijke industriële site. Het skigebied Masikryong zet in op toerisme, nodig voor de harde valuta die hieruit komt. De handel met Amerika vertwintigvoudigde tot 1.2 miljoen USD.


Het zijn echter niet de overheden en instituties maar de Noord-Koreanen zelf die de grootste hoop zijn op beterschap. Tijdens de hongersnood van ’94-’97 brak de discipline van het regime dat andere dingen aan het hoofd had. Het leger ging aan het plunderen, het volk werd aan haar lot overgelaten. In deze “free-for-all” ontstonden er zowaar entrepeneurs op een zwarte markt voor eten. De overheidscontrole wankelde en herstelde zich nooit volledig. Alles wijst erop dat de zwarte markt sindsdien gegroeid is en nu ook voorziet in andere goederen. Satellietbeelden tonen hier en daar ‘marktplaatsen’, die volkomen illegaal zijn en dan ook geregeld verwijderd worden. Er is een zwarte markt voor voedsel, vastgoed, elektriciteit, krediet, etc. Naast voedsel smokkelt een nieuwe klasse van handelaars ook dvd’s, telefoons usb-sticks en computers binnen. Steeds meer en meer Noord-Koreanen hebben toegang tot informatie uit en over het Westen. De illegale smokkel met China neemt hand over hand toe. The Daily NK gebruikt informatie die het krijgt via eigenaars van mobiele telefoons in Noord-Korea. Miljoenen mensen hebben al toegang tot PC’s en telefoons, vooral in Pyongyang. Deze verandering vloeit voort uit de onhoudbare situatie en is volledig bottom-up. De overheid negeert of participeert in de illegale handel.


Een feelgood story is het daarom nog niet. De nouveaux riches van Noord-Korea varen nu wel bij het status quo. Ooit komt er echter een tijd wanneer illegale smokkel op betrekkelijk kleine schaal onvoldoende zal zijn voor deze nieuwe traders. Ondertussen is de informatiestroom richting Noord-Korea niet meer te stoppen. Mensen vergelijken hun levensomstandigheden met de Zuid-Koreaanse films, kijken door de overheidspropaganda heen en zien dat het anders kan. Een evolutie, eerder dan een revolutie, maakt misschien een einde aan bijna een eeuw onderdrukking. The truth shall set them free.

Timon Lesage

Comment

Comment

Slaet Op Ten Trommele – Sociaal terrorisme

In een open brief in De Tijd deze week waarschuwden de socialistische vakbonden ABVV/FGTB de werkgeversorganisaties om niet te raken aan de sociale privileges die de afgelopen halfeeuw uitgedeeld werden. Zonder “vrij sociaal overleg” kon de “sociale vrede” niet langer gegarandeerd worden. Gisteren werd op de nationale betoging duidelijk wat een ordinaire bedreiging dit is van een beweging die het geweld niet schuwt. In Italië vervolgt men dergelijke organisaties, hier behoren het schenden van fysieke integriteit, het gijzelen van werkwilligen en ondernemers (soms letterlijk) en het vernielen van eigendom blijkbaar tot de democratische middelen. Dit alles onder het goedkeurende oog van een socialistische ex-premier die zonder schroom of schaamte mee liep in deze uiterst vreedzame Mars op Brussel.

Vakbondsleiders en politici zullen ongetwijfeld oproepen dat dit een kleine minderheid is. Het gaat echter om het klimaat die bepaalde bewegingen creëren. Al weken weigeren ze iedere vorm van sociaal overleg. Ze verkiezen het om partijkantoren aan te vallen en te belegeren. Vakbondsleiders zoals De Leeuw en Leemans hitsen mensen op met hun dreigende taal en populistische dogma’s. Vergeet veldrijden of voetbal, het demoniseren van ondernemers is in dit land de nationale volkssport.

Welke legitimiteit hebben dergelijke verenigingen eigenlijk? De bonden strooien graag met termen als “ondemocratisch”. Maar de helft van de werknemers is niet aangesloten bij een vakvereniging, terwijl nog geen 5% van de andere helft in naam van de democratie onze hoofdstad gijzelt. De rol van vakbonden is in dit land wettelijk beschermd: de regering moét samenzitten met de “sociale partners”. Wie zijn deze mensen, wie verkoos hen? Hoe democratisch is een land waar werknemersorganisaties wettelijke lobbygroepen zijn die afspraken afsluiten en acties organiseren in naam van mensen die dit niet wensen? Regeringen zijn blijkbaar alleen maar democratisch als links ertoe behoort en kan potverteren.

En waartegen protesteren deze “vertegenwoordigers” eigenlijk? Ons land kreunt nog steeds onder een overheidsbeslag van 55%. Tijdens de financiële crisis en de “besparingsmaatregelen” van de afgelopen jaren kwamen er alleen maar belastingen bij. Een op de drie beroepen in dit land is gereguleerd. Onze lasten op arbeid zijn bij de hoogste in Europa. We concurreren al jaren niet meer met onze eigen buurlanden. De bonden die niet langer representatief zijn voor de beroepsbevolking beweren dat de bedrijven nog marge hebben om in te leveren. Bij dergelijke dwaze uitspraken vergeet men voortdurend hoe erg het nu al gesteld is met het ondernemingsklimaat in ons land. De Belgische bedrijven (grotendeels kleine en middelgrote ondernemingen) hebben geen marge meer. Het water staat hen nu al aan de lippen. Elke onderneming in België wil aanwerven, maar torenhoge belastingen en bergen papierwerk en regels verhinderen dit. Zij die welvaart en jobs creëren moet je niet afstraffen, maar aanmoedigen!

Actief links verloor gisteren het laatste beetje geloofwaardigheid dat ze nog bezaten. Laat het bij deze duidelijk zijn dat deze groeperingen niks inzitten met de toekomst van ons land. De vooruitgang en de jonge generaties kunnen hen gestolen worden. Het enige wat ze willen is het behoud van het erbarmelijke status quo. Het is inmiddels duidelijk wat hun invulling van het woord democratie inhoudt: “Democratie zal van ons zijn, of het zal niet zijn!”

Comment

Comment

De warme gloed

In dit artikel wil ik even stilstaan bij het begrip ‘sociaal’. Wat houdt dat precies in? Wat moet je doen om sociaal te zijn en wie kan beschouwd worden als asociaal? Iedereen geeft er natuurlijk een eigen invulling aan, al dan niet sterk beïnvloed door de media en foute percepties. 

Vaak worden liberalen geassocieerd met asocialen, egoïsten en onmensen. Liberalen weten natuurlijk wel beter. Dit misverstand doet mijn donkerblauw hart bloeden. Daarom wil ik met dit artikel deze leugen ontkrachten.

Volgens mij kun je niet socialer zijn dan door liberale waarden te verdedigen. Natuurlijk is het belangrijk om een gemeenschappelijke definitie te hebben van ‘sociaal zijn’. Ik zal beginnen met deze definitieomschrijving. Vervolgens licht ik toe waarom een overheid het individu sociaal lui maakt. Als laatste tracht ik uit te leggen waarom een egoïstische en vrije samenleving een meer solidaire samenleving zou zijn. 

Wat is ‘sociaal zijn’?

In april leg ik de eed af als OCMW-raadslid in mijn gemeente. Toen ik het nieuws omtrent mijn OCMW-mandaat vertelde, kreeg ik al de opmerking “Wat ga jij daar doen? Je bent asociaal en wilt niet herverdelen”.  Interessante vraag is dus of een liberaal daar wel op z’n plaats zit. Is een liberaal wel per definitie sociaal? 

De algemene perceptie die momenteel heerst in onze maatschappij omtrent sociale thema’s is dat alleen de overheid hierin moet voorzien via de herverdeling van belastinggeld. Hoe groter een overheid, hoe meer er kan worden herverdeeld. Hoe meer belastingen je betaalt, hoe socialer je bent. Daar ben ik het als zelfverklaard volbloed liberaal niet mee eens. Grote fout die gemaakt wordt is natuurlijk de verwarring tussen de begrippen ‘socialistisch’ en ‘sociaal’. Deze begrippen worden vaak als hetzelfde beschouwd. In een sociale welvaartsstaat eist de overheid een deel van je inkomen/vermogen op. Met dat belastinggeld bepalen de politici wat er zal gebeuren, en wat er met andere woorden sociaal is. De overheid bepaalt ook welke keuzes je moet maken (subsidiebeleid) en wat het beste voor je is (cfr. bv. drugs). De gelijkenis met een babysit of bemoeizieke schoonmoeder is treffend. In een liberale samenleving bepaalt het individu zelf wat sociaal is, of en in welke mate ze solidair wil zijn met mensen in armoede.  

In een vrije samenleving zullen er uiteraard mensen zijn die niet solidair willen zijn en dus al hun vermogen voor zich zullen houden. Op zich geen probleem. Ik verdedig het eigendomsrecht, dit houdt in dat je kan doen met je verworven vermogen wat je wil. Een individu moet het recht hebben om niet te herverdelen.  Of je er nu voor kiest om je vermogen voor jezelf te houden of om solidair te zijn met anderen, dat is een eigen keuze. Geen enkele keuze is superieur over de andere. 

Ikzelf ben bv. vrijwilliger bij De Wervel, een vzw waar mensen zonder inkomen wekelijks gratis voedsel kunnen krijgen. Mensen die kleren, zetels, kasten enzoverder over hebben, kunnen deze binnenbrengen. Deze worden dan verkocht aan een minimale prijs. Zo geven we de arme mensen de kans om het gevoel te hebben dat ze ook iets kunnen kopen voor hun kinderen. 

Of je al dan niet solidair bent is een eigen keuze en moet komen vanuit het hart, en niet opgelegd door één of andere wetgeving. Ik heb dus geen overheid nodig om sociaal te zijn. 

In discussies met mensen die de herverdelingsfunctie van de overheid verdedigen is het altijd grappig (lees: schrijnend) vast te stellen welk fatalistisch (wereld)beeld er wordt opgehangen van een vrije samenleving. Stel dat er geen sociale zekerheid meer zou zijn, dan zou het elk voor zich zijn en zou geen enkel individu het initiatief in eigen handen nemen om solidair te zijn met iemand die veel ongeluk kent wegens ziekte, faillissement, ongeval, brand,… Die visie verwerp ik volkomen. Als liberaal geloof ik in de kracht van mensen, in het verantwoordelijkheidsgevoel van het individu. 

Hoe ziet een liberale maatschappij er dan uit? Een sociale overheid bestaat alvast niet. 

Overheid maakt mensen sociaal lui

Waarom is er in ons land evenveel armoede (±15%) als in de Verenigde Staten, het land waarmee socialisten altijd dwepen als zijnde egoïstisch en niet sociaal? Met dat cijfer kunnen we niet echt concluderen dat de welvaartsstaat een succes is. Het is mijn overtuiging dat verplichte solidariteit voor een grote groep inefficiënt en ineffectief is en zelfs het individu egoïstisch maakt. 

Laten we solidariteit even toetsen aan een dagdagelijks voorbeeld.  Jij en je partner gaan uit eten met een bevriend koppel. Om lange rekensommen achteraf te vermijden, beslissen jullie samen om een gemeenschappelijke pot te leggen. Omdat je gekozen hebt voor een gemeenschappelijke pot, ga je kiezen voor iets dat niet te duur is. Je wil namelijk je vrienden niet laten meebetalen voor iets waar jij voor kiest. 

Stel nu dat je die gemeenschappelijke pot deelt met miljoenen mensen (cfr. welvaartsstaat). Zal je dan nog steeds zo verantwoordelijk zijn om slechts te bestellen wat je nodig hebt? Volgens mij niet. Hoe groter de groep waarmee je uit eten gaat, hoe minder de verbondenheid met de groep, hoe groter de neiging om meer en duurder eten te bestellen dan je eigenlijk nodig hebt. In een dergelijke grote groep ben je anoniemer en is de verbondenheid minder groot. Doordat je die mensen niet kent, ga je ze wantrouwen (onbekend maakt onbemind). Je gaat ervan uit dat zij zullen profiteren van de pot en dus ook van jouw bijdrage, waarvoor je trouwens gedwongen werd om bij te leggen. U bent natuurlijk niet zeker dat de anderen meer zullen eten dan ze hebben bijgelegd maar voor alle zekerheid zult u toch maar trachten het maximale eruit te halen.  

Uit dit voorbeeld haal ik twee criteria voor solidariteit: verbondenheid en spontaniteit.

Verbondenheid houdt in dat er sociale cohesie moet zijn tussen de leden van de groep.  Vergelijk maar eens de sociale cohesie van een plattelandsgemeente en een grote stad. In een plattelandsgemeente kent iedereen iedereen en is er dus een grotere incentive om elkaar te helpen waar nodig. In een grote stad is die incentive veel kleiner. Doordat je met zovelen woont op eenzelfde plek, is de verbondenheid kleiner en dus ook de sociale cohesie. Solidair ben je pas met mensen die je kent en waarvan je weet dat ze jouw hulp nodig hebben en verdienen. 

Tweede criteria is spontaniteit. Spontaniteit houdt in dat het individu kiest om solidair te zijn. Indien het verplicht wordt, is ze solidair omdat het moet. Beter is de solidariteit te laten vertrekken vanuit het vrije individu. Ieder zal zelf wel zijn of haar verantwoordelijkheid nemen, en dit uit egoïstische motieven nog wel (zie verder hieronder). Onze welvaartsstaat neemt deze motieven echter weg. 

Met bovenstaand voorbeeld wil ik duidelijk maken dat de overheid en de welvaartsstaat het individu sociaal lui maakt. Doordat elk individu verplicht wordt door de overheid om een significant deel van diens inkomen af te staan in naam van de solidariteit, neemt de overheid elk incentive weg. Diegene die financieel afhankelijk wordt gemaakt van de overheid denkt dat hij recht heeft op een deel van het vermogen van iemand anders. Diegene die werken, sparen en ondernemen hebben geen incentive meer om nog solidair te zijn omdat ze al een significant deel van het inkomen hebben moeten afstaan. 

Het  hele intentieproces dat ik zonet beschreven heb is natuurlijk maar een persoonlijke denkpiste, maar volgens mij eentje die nauw aanleunt aan de psychologie van het individu (zie ook verder).

Daarom pleit ik voor solidariteit tussen kleinere, spontaan ontstane groepen, tussen mensen die daarvoor kiezen. De verbondenheid in een groep bepaalt in welke mate ze elkaar zullen helpen. Er zal meer gedacht worden aan het algemeen belang van de groep. 

Leve het egoïsme!

Ik ga dus niet mee in de fatalistische redenering als zou het individu niet solidair zijn zonder de welvaartsstaat. Hoe kunnen we dat nu zo zeker zijn?  Het antwoord vinden we terug in ons brein.

Alles wat we doen, doen we uit egoïsme. Dit principe kan je op alles toepassen. Een werknemer gaat niet gaan werken omdat hij wil dat de ondernemer winst kan maken, maar omdat hij brood op de plank wil en zijn gezin wil onderhouden. Een bakker bakt geen brood omdat hij dat goed kan, maar omdat ook hij, ironisch genoeg, brood op de plank wil. Ondernemers stellen geen mensen tewerk uit altruïstische motieven, maar omdat ze die mensen nodig hebben om hun winst zo te maximaliseren. Het mooie aan dit egoïsme is dat niet alleen het individu zelf er voordeel uit haalt, maar ook de omgeving (werknemer, klant van de bakker, aandeelhouder,..). 

Dit kan je ook toepassen op de spontane solidariteit. Een individu zal geen goede daad stellen omdat hij een altruïst is. Hij zal dit doen omdat hij zich goed wil voelen. Hij wil de zogenaamde ‘warme gloed’ ervaren. Dat is het gevoel dat je hebt wanneer je iets betekent voor iemand door iets goeds te doen. Dit ‘warme gloed-effect’ ervaren we allemaal als we bv. onze plaats afstaan aan een bejaarde op de bus of wanneer we ons vrijwillig inzetten voor de lokale jeugdbeweging. De voorbeelden zijn legio. Belangrijk is dat niets of niemand je hiertoe verplicht. Je doet dat omdat je dat wilt.

Neurobiologen hebben het al bewezen: die warme gloed activeert hetzelfde stuk van de hersenen dat in werking treedt bij moeilijke beslissingen waarbij egoïsme en morele overwegingen een rol spelen. Onze hersenen associëren die warme gloed zelfs met seks, geld, eten en drugs. 

Het klinkt misschien weinig romantisch maar solidariteit is ook een resultaat van vraag en aanbod. In ruil voor een goede daad verwacht ik een immateriële return terug: de warme gloed. Solidariteit of altruïsme begint dus bij egoïsme. Indien iemand tegen u zegt dat u een egoïst bent, dank hem of haar dan voor het compliment. 

Wachten op een atypische politicus

Untitled.png

We blijven momenteel echter vastgeroest in de logica dat je enkel sociaal kan zijn via de overheid en de welvaartsstaat.  

Het is natuurlijk eigen aan de homo politicus om herverkozen te worden (cfr. public choice theorie). Dat tracht hij/zij te bereiken door steeds meer beloftes te doen. Na decennialang beloftes zitten we nu met een veel te log en veel te inefficiënt staatsapparaat. Vrije initiatieven zijn veel efficiënter en veel socialer.

Het is echter wachten op de eerste politicus die niet denkt aan zijn/haar herverkiezing maar aan het algemeen belang. Het is wachten op de eerste politicus die pleit voor een vrije en dus solidaire samenleving. Het is wachten op de eerste politicus die vertrouwt op de civil society. Het is wachten op de eerste politicus die doet wat de huidige politici niet doen. Het is wachten op de eerste politicus die pleit voor een liberale zekerheid i.p.v. een sociale zekerheid. Want, een verantwoordelijk individu heeft geen overheid nodig om sociaal te zijn. 

Liberalisme is de meest sociale ideologie. Het klinkt misschien contradictorisch maar dat is het niet!

Bert Costenoble

Comment

1 Comment

De rol van vakbonden in de samenleving

De rol van de vakbonden in de samenleving is altijd al een verhit topic geweest, niet in het minst in België. Ondanks het feit dat de vakbond om de zoveel tijd in de actualiteit komt en er al zeer veel inkt gevloeid is over het onderwerp kan men niet stellen dat het een debat is die gekenmerkt wordt door hoogstaande argumenten.

Zowel voor- als tegenstanders vervallen maar al te vaak in holle slogans en nietszeggende retoriek die grotendeels voorbijgaat aan de dieperliggende oorzaken. Deze tekst is daarom bedoeld als een poging om een kwalitatieve analyse te geven van hoe vakbonden functioneren.

Laat ons beginnen bij het discours die vakbonden hanteren om acties zoals stakingen te rechtvaardigen. In het discours is er een onmiskenbare socialistische/communistische toon aanwezig die ‘het kapitalisme’ verwijt de bron te zijn van extreme ongelijkheid, misdadige economische praktijken en zo verder… 


Vakbonden daarentegen zijn er zogezegd om een tegengewicht te bieden tegen het ‘casinokapitalisme’ en ervoor te zorgen dat er meer gelijkheid is in de verdeling van middelen en dat er solidariteit is onder de groepen die uitgebuit worden. 


Gelijkheid of belangenverdediging?


Hier worden we al direct geconfronteerd met een zeer eigenaardige contradictie: in de praktijk merken we weinig tot niets van deze standpunten van de vakbonden. Immers, pogingen om op Europees niveau volledig vrij verkeer van diensten te bekomen stoten steevast op protest van diezelfde vakbonden. Deze praktijk is blijkbaar niet toelaatbaar omwille van wat men redelijk ironisch ‘sociale dumping’ noemt. Gelijkheid slaat in de praktijk dus op het behoud van het eigen (hogere) nationale loonniveau ten opzichte van andere landen waarbij economische immigratie zoveel als mogelijk belemmerd wordt.


In de realiteit zien we dus dat vakbonden niet zozeer gedreven worden door utopische idealen zoals gelijkheid en solidariteit maar als het erop aankomt louter belangengroepen zijn om bepaalde economische privileges in stand te houden die in de meeste gevallen economisch al lang achterhaald zijn.


De acties van vakbonden zijn dus gebaseerd op de (foute) overtuiging dat er een fundamenteel belangenconflict is tussen verschillende klassen waarbij de ‘winst’ van de ene klasse noodzakelijkerwijs gelijk is aan het ‘verlies’ van de andere klasse. Dergelijke conflictsituaties zijn, in tegenstelling tot wat zij beweren, niet inherent aan het kapitalisme.


Conflicten tussen verschillende groepen kunnen enkel ontstaan als verschillende actoren zich verenigen en druk uitoefenen op de overheid om privileges te verkrijgen die niet inherent zijn aan het marktproces. Het meest evidente voorbeeld is de vorming van monopolies: natuurlijke monopolievorming is zeldzaam in de vrije markt, quasi alle bestaande monopolies zijn ingesteld door overheden.


Moest men de vrije markt laten spelen zouden dergelijke ineffectieve praktijken simpelweg niet kunnen blijven bestaan. Ludwig Von Mises legt de vinger op de wonde: “In a capitalist society the proprietary class is formed of people who have well succeeded in serving the needs of the consumers and of the heirs of such people. However, past merit and success give them only a temporary and continually contested advantage over other people. They are not only continually competing with one another, they have daily to defend their eminent position against newcomers aiming at their elimination. The operation of the market steadily removes incapable capitalists and entrepreneurs and replaces them by parvenus. It again and again makes poor men rich and rich men poor. The characteristic features of the proprietary class are that the composition of its membership is continually changing, that entrance is open to everybody, that continuance in membership requires an uninterrupted sequence of successful business operations, and that the membership is divided against itself by competition. The successful businessman is not interested in a policy of sheltering the unable capitalists and entrepreneurs against the vicissitudes of the market. Only the incompetent capitalists and entrepreneurs (mostly later generations) have a selfish interest in such “stabilizing” measures. However, within a world of pure capitalism, committed to the principles of a consumers’ policy, they have no chance to secure such privileges.”


De vos en zijn streken


Men kan echter niet anders dan vaststellen dat de vakbonden ondanks het afkalvende lidmaatschap en het grotendeels verdwijnen van de traditionele industriële machtsbasis er wonderwel in slagen hun groepsbelangen te blijven verdedigen. Hoe is dit mogelijk gezien de economische ineffectiviteit die dit met zich meebrengt?


Het antwoord ligt hem deels in het vermogen van vakbonden om intern een zeer sterke cohesie te bekomen via het interioriseren van bepaalde waarden en overtuigingen. Een voorbeeld van deze waarden en overtuigingen is dat bij een staking iedereen ‘solidair’ moet zijn met de stakers. 


Diegenen die niet deelnemen aan de staking omwille van individuele redenen of mensen die van buitenaf kritisch staan tegenover de staking worden bestempeld als ‘verraders’ of  ‘uitbuitende kapitalisten’. Om als individu in een vakbond tegen dit groepsdenken in te gaan is verre van evident.


Dit proces speelt echter niet enkel intern in de vakbonden, dergelijke strategieën hebben ook een bredere uitwerking in de samenleving: “The most curious thing about a strike is that the unions have been able to spread the belief throughout society that the striking members are still “really” working for the company even when they are deliberately and proudly refusing to do so. The natural answer of the employer, of course, is to turn somewhere else and to hire laborers who are willing to work on the terms offered. Yet unions have been remarkably successful in spreading the idea through society that anyone who accepts such an offer – the “strikebreaker” – is the lowest form of human life.”

Wanneer er dan toch een serieuze reactie komt tegen deze praktijken maken de vakbonden gebruik van een zogenaamde ‘last resort’, namelijk het gebruik van geweld. Het gebruik van geweld heeft een tweevoudige functie:

  1. Men probeert alsnog dissidente meningen/personen te doen schikken naar de vakbondslijn. Een voorbeeld hiervan is het gebruik van geweld tegen werkwilligen in de fabriek van Ford Genk omdat men een gezamenlijk front wilde vormen tegen Ford. Personen die voor zichzelf uitmaakten dat ze beter aan het werk bleven dan het werk neer te leggen werden verbaal en fysiek bedreigd en in sommige gevallen kwam het tot gevechten.
  2. Men probeert druk uit te oefenen op de beleidsverantwoordelijken om toegevingen te doen in het voordeel van de vakbonden. Dit neemt zeer vaak de vorm aan van massabetogingen in Brussel waarbij niet zelden (doelbewust) vernielingen worden aangericht om hun eisen kracht bij te zetten.

Dit gebruik van geweld door vakbonden wordt echter maar al te vaak goedgepraat door het gebruiken van drogredeneringen zoals ‘hoe zou je zelf zijn moest je in zo’n omstandigheid terechtkomen’ of ‘onze acties zijn minder misdadig dan wat ons wordt aangedaan’. Dergelijke redeneringen zijn niet meer dan een zwakke poging om legitimiteit te geven aan wat gewoon het agressief promoten van het eigen groepsbelang is ten koste van de samenleving als geheel.

 

Dries Glorieux

1 Comment

2 Comments

De markt in organen: het taboe onder de loep

Untitled.png

In 2013 stonden meer dan duizend mensen op de wachtlijst voor een orgaantransplantatie.  In een wereld die steeds verder evolueert, zeker op wetenschappelijk en medisch gebied, kunnen we verwachten dat de stand van de technologie het mogelijk zal maken om steeds meer organen van overledenen te redden voor transplantatie, waar deze vandaag niet in aanmerking voor komen.

Dat betekent echter niet per se dat ook de wachtlijsten zullen verminderen. Nieuwe technieken en vooruitgang betekenen ook dat men er steeds beter in zal slagen complexere transplantaties die vandaag onmogelijk zijn toch uit te voeren. Medische vooruitgang betekent dus niet alleen meer potentiële donoren, maar ook meer behoevenden die in aanmerking komen voor een levensreddende orgaantransplantatie.

Een tekort in het aanbod van organen zal dus steeds een systematisch probleem blijven. De vraag is of een markt in organen een mogelijke oplossing biedt die dit aanbod kan opkrikken zodat meer levens gered kunnen worden. Zo heeft bijvoorbeeld Iran een gereglementeerde markt in menselijke nieren, en is het Iraanse systeem, hoewel geplaagd door vele onvolkomenheden, erin geslaagd de wachtlijst voor nieren in tien jaar tijd weg te werken. Voor een (begin van) antwoord op onze vraag, bekijken we eerst hoe de vraag en het aanbod van organen vandaag wordt gecontroleerd. Dan kijken we kort of de vrije markt misschien soelaas kan brengen en orgaandonatie kan stimuleren, terwijl we tevens de voornaamste bezwaren tegen zulk een vrije markt in organen overlopen.

 

Orgaandonatie vandaag: altruïsme troef?

 

De regeling in België vandaag is gelijkaardig aan die van de meeste andere landen. Orgaandonoren kunnen levend of dood zijn. Voor overleden donoren geldt in België een opt-outsysteem; dit houdt in dat mensen die overlijden en in aanmerking komen als donor geacht worden toe te stemmen in het weghalen van organen voor transplantatie, tenzij deze persoon zich daar tijdens zijn leven heeft tegen verzet of de familie bezwaar maakt tegen de weghaling.

De mogelijkheid van een vrije markt in organen betreft vooral levende donoren. Vandaag is het mogelijk om tijdens het leven een orgaan te laten weghalen om iemand anders te helpen. Dit kan voor organen die vanzelf weer aangroeien. Organen die niet weer aangroeien kunnen niet worden gedoneerd, tenzij het leven van de ontvanger in gevaar is en de transplantatie van een dode donor niet het verhoopte resultaat oplevert.

Belangrijk is dat de wet bepaalt dat het schenken van organen gratis moet zijn en de handel in organen ten strengste is verboden. Het doneren van organen mag dus niet met winstoogmerk gebeuren. Maar is dit wel optimaal? Zou het aanvaarden van winstoogmerk of vergoeding niet juist kunnen leiden tot een groter aanbod in organen dan vandaag het geval is? Vandaag rekent men immers uitsluitend op het altruïsme van levende donoren, maar hoewel dit een zeer nobele gedachte is, blijkt dit in realiteit allesbehalve voldoende om iedereen te helpen.

 

Het taboe van de organenmarkt

 

Het toestaan van financiële compensatie en winstoogmerk op het gebied van orgaandonatie blijft een gedachte die op veel weerstand stuit en door velen met verontwaardiging wordt onthaald. Tegenstanders maken vaak bezwaren die op het eerste zicht legitiem zijn, maar uiteindelijk niet zo overtuigend zijn als ze lijken.

Een vaak gehoorde kritiek is dat het verkopen van organen een commodificatie van het lichaam inhoudt en daarom immoreel is. Het lichaam van de mens wordt als het ware gedegradeerd tot koopwaar en de fysieke integriteit wordt te grabbel gegooid aan de zo verafschuwde marktprijzen.

Men gaat er dus vanuit dat het verkopen van organen intrinsiek slecht is en daarom verboden zou moeten zijn. Voor zij die vertrouwd zijn met de liberale gedachte kan deze kritiek vreemd in de oren klinken. Het individu is immers eigenaar van zijn eigen lichaam, en in principe staat niets hem in de weg om te doen met zijn lichaam wat hij wenst, inclusief het laten weghalen van zijn organen (lees: zijn eigendom) en deze verkopen.

Indien men dit niet aanvaardt, zegt men dus eigenlijk dat niet het individu, maar wel iemand anders de zeggenschap heeft over het lichaam van dat individu, en dat diens lichaam dus in wezen de eigendom is van een ander. Dit lijkt mij persoonlijk een nog veel schadelijkere stelling dan de principiële vrijheid van elk individu. De enige aanvaardbare beperking op deze vrijheid is de situatie waarin het uitoefenen ervan ernstige schade zou toebrengen aan de vrijheid van anderen.

Zo lijkt het inderdaad te verdedigen dat het een zwangere vrouw niet is toegestaan een vitaal orgaan te verkopen, vermits het niet alleen haarzelf kan schaden, maar ook levensbedreigend is voor het ongeboren kind dat ze in zich draagt. Bovendien lijkt deze kritiek ook tegenstrijdig met de goedkeuring van gratis orgaandonatie. Als men immers ontkent dat een individu beschikkingsmacht heeft over zijn lichaamsdelen, dan zou dit evenzeer moeten gelden voor de donatie zonder enige vergoeding. Vermits men deze beschikkingsmacht wel degelijk erkent door het toelaten van ‘altruïstische’ donatie, is er geen enkele reden om aan te nemen dat een financiële vergoeding hier iets aan verandert.

Daarenboven bestaan er ruim voldoende alternatieven voor een zo verachte vergoeding in contant geld die aan de orgaandonatie een aroma van uitbuiting en hebzucht geeft. Zo is het niet ondenkbaar dat het financieel voordeel voor de donor kan worden vormgegeven door bv.  een belastingvoordeel toe te kennen, een levenslange gratis ziekte- en hospitalisatieverzekering, en dergelijke meer.

Ten tweede uiten tegenstanders de vrees dat het vooral de allerarmsten zullen zijn die hun organen noodgedwongen zullen verkopen aan welvarende behoevenden. Men schetst het beeld van de drugsverslaafde dakloze die uit pure wanhoop een orgaan verkoopt om de volgende dag te kunnen overhalen.

Dergelijke scenario’s zullen echter (bijna) nooit voorvallen: in een markt voor organen zullen, net zoals bij alle andere zaken, standaarden ontwikkeld worden die het gedrag van alle actoren beheersen. Ziekenhuizen en dokters die transplantaties uitvoeren die extreem risicovol zijn door bv. de erbarmelijke toestand waarin de donor zich bevindt zullen ontmoedigd worden dergelijke roekeloze praktijken te begaan door bv. de immense schadeclaims in aansprakelijkheid die ze zich daarmee op de hals halen. Opnieuw kunnen de modaliteiten van de vergoeding (bv. levenslange gratis hospitalisatieverzekering) tegemoetkomen aan deze vrees. Een wanhopig iemand die enkel uit is op hard geld om zijn zelfdestructieve levensstijl te kunnen volhouden, zal hierdoor niet aangemoedigd worden uit radeloosheid een orgaan af te staan.

Vaak wordt nog opgeworpen dat arme of wanhopige mensen in feite niet vrij hun orgaan afstaan, maar eerder ‘gedwongen’ worden door anderen die hen onder druk zetten hun orgaan te verkopen. Ook dit is een valse hinderpaal. Het feit dat men tot een bepaalde handeling gedwongen kan worden staat er niet aan in de weg dat deze handeling op zichzelf genomen perfect legitiem kan zijn.

Dit geldt trouwens voor alles wat verkocht kan worden; in ons recht is het sowieso verboden iemand onder dwang een overeenkomst te laten sluiten en een op deze manier ontstane overeenkomst kan vernietigd worden. Het feit dat men onder druk gezet kan worden om bv. een zeldzame edelsteen te verkopen, betekent daarom toch nog niet dat het verkopen van edelstenen verboden zou moeten worden. Bovendien is dit een bezwaar dat evenzeer, en in sommige gevallen zelfs nog meer, geldt voor de gratis donatie van organen. Zo kan iemand door zijn familie onder emotionele druk geplaatst worden een orgaan af te staan voor een familielid. In vele gevallen is deze vorm van dwang veel ingrijpender voor de donor in kwestie.

Een laatste vaak gehoord tegenargument is dat donoren onachtzaam zullen omspringen met de risico’s van orgaandonatie wanneer zij daar winst uit kunnen halen.  Mensen zullen, verblind door geld, geneigd zijn de gevaren en nadelen te onderschatten of zullen nalaten zich daarover voldoende te informeren alvorens zij deze belangrijke stap zetten.

Deze vrees kan echter opgevangen worden door allerhande mechanismen die nu al bestaan in ons recht. Zo kunnen er informatieverplichtingen worden ingelast waarbij ziekenhuizen en uitvoerende chirurgen de donor moeten waarschuwen omtrent de risico’s, of kan er in sommige gevallen een wachtperiode ingebouwd worden die men moet respecteren vooraleer men kan voortgaan met de procedure. Daarbovenop is er nog de reeds vermelde aansprakelijkheid, die professionelen aanzet tot voorzichtige en weloverwogen beslissingen. Operaties die onverantwoord veel gevaren voor de donor met zich meebrengen, zullen aldus geweigerd worden.

 

Voorbij het taboe

 

Untitled.png

Een markt in organen heeft enkele veelbelovende voordelen. Door de financiële prikkel om organen af te staan zal het aanbod aan dergelijke organen uiteraard toenemen nu het niet meer uitsluitend afhankelijk is van de altruïstische motieven die vaak enkel te vinden zijn bij de naaste familie van ontvanger. Naast de voor de hand liggende voordelen zoals minder lange wachtlijsten, kan dit ook een positief effect hebben op de kwaliteit van de transplantaties.

Door het toenemende aantal organen in omloop hebben artsen en patiënten meer keuze tussen verschillende organen en kunnen ze dus de meest geschikte donoren vinden, daar waar men vandaag zal moeten roeien met de riemen die men heeft. Suboptimale transplantaties kunnen aldus worden vermeden.

Het toenemende aanbod is niet alleen voordelig voor de ontvangers, maar ook voor bepaalde would-be donoren. Donoren die vandaag aanzienlijke schade zouden lijden door hun orgaandonatie, kunnen vervangen worden door mensen die als het ware  ‘beter geplaatst’ zijn om een orgaan te doneren.

Zo is er het voorbeeld van de 21-jarige Amerikaanse atleet Cameron Lyle die vorig jaar zijn veelbelovende topsportcarrière voorgoed opgaf om het leven van een volstrekte vreemde met leukemie te redden door middel van een beenmergtransplantatie. Wat hier geldt voor beenmerg, is evenzeer toepasselijk op organen (en ander weefsel).

Dergelijk verhaal is natuurlijk een ontroerend voorbeeld van diepmenselijke solidariteit en naastenliefde, maar slechts weinigen zullen deze situatie verkiezen boven een scenario waarbij zowel de topatleet kan blijven sporten én de leukemiepatiënt gered wordt. Bij een groter aanbod aan organen valt zo’n tweede scenario steeds meer binnen handbereik.

Ten slotte moeten we de realiteit onderkennen dat er vandaag de dag wel degelijk organen verhandeld worden. Het probleem is dat deze zwarte markt in organen in duisternis is gehuld en hierdoor juist de vrees van tegenstanders van een reguliere markt in organen bewaarheid wordt.

Net omdat het recht geen vat heeft op deze zwarte markt, zien we hier schrijnende gevallen van straatarme mensen (vaak uit India of China) die in levensgevaarlijke omstandigheden van hun organen worden beroofd, waarna deze worden doorverkocht aan rijke mensen tegen woekerprijzen. Vergelijkbaar met de drugsmarkt geldt ook hier dat een legalisering het mogelijk zou maken een vat te krijgen op dit fenomeen, zodat er toezicht kan worden uitgeoefend, verkopers en ziekenhuizen aansprakelijk kunnen worden gesteld voor hun daden, veiligheids- en hygiënestandaarden kunnen worden ontwikkeld, en dergelijke meer.

 

Conclusie

 

Het idee van de handel in organen blijft voor velen een instinctief weerzinwekkende gedachte. Of het nu gaat om de menselijke waardigheid, of de vermeende institutionalisering van de ongelijkheid tussen arm en rijk: het lijkt alsof organenhandel de wereld alleen maar perverser en slechter af kan maken.

Nochtans is de idee van organenhandel er een dat is ingegeven door de oprechte bekommernis om de levens van de vele mensen die maanden- en vaak jarenlang in kwellende onzekerheid leven. Als we voorbij het taboe kijken, zien we dat de vaak gemaakte bezwaren niet zo pertinent zijn als ze lijken, en dat daarentegen een markt in organen op grond van het zelfbeschikkingsrecht van elk individu juist een unieke kans biedt om mensen te vullen met hoop en leven.

 

Dimitri Sonck

2 Comments

Comment

Over vermogensconcentraties

Oxfam bracht in het nieuws dat de 85 rijkste personen evenveel vermogen zouden hebben als de 3,5 miljard armsten. Op zich een irrelevant weetje, aldus de auteur van dit artikel. Het is niet de vermogensconcentratie maar de manier waarop dat vermogen werd vergaard dat relevant is.

(i)    Inleiding

Inleiding – Begin dit jaar wees Oxfam erop dat de 85 rijkste personen in de wereld evenveel vermogen zouden hebben als de 3,5 miljard armsten. Dat cijfer zelf zegt veel minder dan men op het eerste zicht zou vermoeden.

Opbouw – Wij trachten in dit artikel meer duidelijkheid te verschaffen. Eerst duiden we het belang van kapitaal (ii). Daarna verduidelijken we dat niet de vermogensconcentratie maar de wijze waarop sommigen hun vermogens vergaren soms een probleem is (iii). Vervolgens lichten we nog toe waarom eigendom over kapitaalmiddelen een slechte indicatie is voor het bepalen van degene die er het meeste welvaart uit haalt (iv). Tot slot concluderen we (v) en geven we aan hoe er misschien wel een morele plicht bestaat in hoofden van sommigen om anderen te helpen (vi).
 

(ii)    Kapitaal

Inleiding – De mens is een behoeftig wezen. Zijn natuurlijke toestand is er één van honger, ziekte, brutaliteit en totale miserie. Het is door kapitaalmiddelen gedurende millennia op te bouwen dat we ons traag maar zeker vanuit deze situatie hebben kunnen optrekken tot het huidige niveau.

Arbeid – De mens heeft verschillende doelen en wordt geconfronteerd met een schaarste aan inzetbare materiële middelen en tijd om die doelen te bereiken. Arbeid is dat proces waarmee men goederen in gebruik neemt om zijn doelen na te streven. Men kan daarbij denken aan het plukken van een appel om zich te voeden of het bijeensprokkelen van takken om een hut te bouwen die de mens beschermt tegen het weer en dieren buiten houdt.

Kapitaal – Kapitaal maakt het mogelijk om met dezelfde arbeid de doelen efficiënter te bereiken. Dat wil zeggen dat het toelaat om bijvoorbeeld meer te produceren, hetzelfde te produceren in minder tijd of hetzelfde te produceren met minder schaarse middelen. Het bestaat zowel uit materiële werkmiddelen als kennis.

Consumptie uitstellen – Wezenlijk aan het opbouwen van kapitaal is dat het niet uit de hemel komt vallen. Wie kapitaal wil produceren, streeft een doel na en zal wanneer die dat doel wil bereiken, bepaalde andere plannen moeten opofferen. Immers, hij zit gevangen in een schaarse wereld en moet voor elk extra plan dat hij maakt, andere (potentiële) plannen opofferen. Als de mens tijd steekt in het maken van bijvoorbeeld een ploeg om het veld om te ploegen, betekent dit dat hij minder vrije tijd kan consumeren en waarschijnlijk ook hout en metaal zal moeten gebruiken dat niet langer voor andere projecten kan worden ingezet. 
 

Belang – Het belang van kapitaal valt nauwelijks te onderschatten. Zonder kapitaal kon men slechts leven van de jacht en de pluk. Bij het jagen was men dan overigens beperkt tot datgene dat men met zijn blote handen kon vangen. Of het nu gaat om uw gezondheidszorg en bijhorend ziekenhuis, dan wel over uw voeding  of uw amusement, het is allemaal het effect van kapitaal. Het is allemaal het effect van personen die directe consumptie hebben opgeofferd om zo extra kapitaal te produceren om hun productiekracht in de toekomst te verhogen.

Conclusie – Wie kapitaal schept, offert zelf eigen consumptiemogelijkheden op en verhoogt, voor al wie het kapitaal gebruikt, hetgeen die met zijn schaarse arbeid kan verwezenlijken. Het kapitaal is verantwoordelijk voor het verschil tussen de natuurlijke toestand van miserie en de huidige situatie. Kapitaal maken is geen oorzaak van miserie, het is de oplossing. Het is dat steeds geweest en zal dat ook zijn voor degene die nu nog in armoede leven. We hebben aldus nood aan meer kapitaal. Degene die kapitaal accumuleren zijn helden. Het zijn degene die ons huidige welvaartsniveau mogelijk maken.

Volgende onderdeel – Nu kan men natuurlijk ook kapitaal van anderen stelen. Dan is niet de vermogensconcentratie maar de eigendomsverwerving het probleem. Omdat het proces waarmee vermogensconcentraties worden verkregen zo belangrijk is, gaan we er in het volgende onderdeel dieper op in.


(iii)    Eigendomsrecht

Inleiding – Recht is een beoordelingsnorm van het menselijk handelen en bepaalt wie de hoogste claim heeft op een schaars goed, d.i. wie het mag gebruiken om zijn doelen mee na te streven. Situaties (zoals een vermogensverdeling over een bevolking) op zich kunnen dus onmogelijk rechtvaardig of onrechtvaardig zijn. Situaties kunnen wel rechtmatig of onrechtmatig tot stand komen.

Ruil bij instemming – Bij een vrijwillige ruilrelatie menen beide personen dat ze door de ruil hun situatie verbeteren. Zolang die vrijwilligheid wordt gewaarborgd door een vrijwillige instemming van alle ruilpartijen te vereisen, is de enige manier waarop iemand goederen van anderen in zijn vermogen kan krijgen, door die ander iets aan te bieden dat die waardevoller acht. Anders gezegd, voor elk inkomenselement dat men heeft verworven via vrijwillige ruil, is er een ruilpartner die meende er eveneens op vooruit te gaan. Wie op deze wijze zijn vermogen verwerft is dus prijzenswaardig. Hij hielp anderen.
 
Ruil zonder instemming – Een andere manier om goederen van anderen in handen te krijgen is diefstal. Men kan gewoon andermans goed inpalmen zonder diens instemming. Die wijze van toe-eigening is onrechtvaardig. Merk overigens op dat in het geval van bedrog nooit toestemming verleend is en dat, indien men andermans eigendom dan bij zich houdt, dit eveneens een ruil zonder instemming is.

Schenkingen en erfenissen – Wie zijn vermogen krijgt door middel van erfenis of schenking heeft inderdaad zelf het vermogen niet opgebouwd. Maar het is fout de schenking of het legaat te beoordelen vanuit de schenker of legataris. Het is het recht van de schenker en legataris om over zijn vermogen te beschikken waardoor het rechtvaardig is dat die zijn eigendom overdraagt aan degene die hij daarmee wenst te plezieren. Hetzelfde geldt voor de echtgenoot die mee geniet van de inkomsten die voortvloeien uit het kapitaal dat de huwelijkspartner tot stand brengt.

Conclusie – Niet de vermogensconcentratie maar de wijze waarop vermogens tot stand zijn gekomen, is het relevante criterium om te beoordelen of hier sprake is van onrecht. Het is duidelijk dat bepaalde instituties zoals slavernij, corporatistische bail-outs door de overheid, geldcreatie door centrale banken en andere vormen van overheidsinterventies op onrechtmatige wijze sommige personen zullen hebben verrijkt. Het is wel belangrijk dat we hier niet iedereen over dezelfde kam scheren en dat in het geval we menen dat iemand op onrechtmatige wijze zijn vermogen heeft verworven, we dat onrecht in dat specifieke geval aantonen.

Volgende onderdeel – Het eigendomsrecht over kapitaal kan een verkeerd beeld geven van wie daar voordeel uit haalt. In het volgende onderdeel zullen we aangeven hoe vermogensopbouw door anderen, op basis van het scheppen van welvaart en uitstel van consumptie ook niet-kapitaalbezitters vooruit helpt.


(iv)    Welvaart

Inleiding – Kapitaal hebben, levert op zich geen nut op. Het is pas als men het gebruikt dat het nut oplevert. Het is ook niet zozeer een inkomen dat welvaart verschaft, maar het is het consumeren van dat inkomen, eerder dan het verder opstapelen van kapitaal, dat welvaart verschaft. Wat iemands vermogen is of wat iemands inkomen is, is bijzonder misleidend om diens welvaartsniveau te bepalen.

Afnemende meerwaarde – Wanneer iemand een bepaalde massa kapitaal heeft, neemt zijn persoonlijke nut dat die kan behalen door nog meer kapitaal voor zijn eigen arbeid in te zetten af. Een schup helpt u een heel stuk sneller graven dan degene die met blote handen aan het graven slaat. Hetgeen men kan produceren met eenzelfde arbeidsuur zal spectaculair toenemen wanneer de schup in gebruik wordt genomen. Maar als men een enorme graafmachine heeft aangeschaft, zal een nog duurdere graafmachine die net de prijs van een schup meer kost dan de andere graafmachine, niet diezelfde spectaculaire toename van zijn arbeidsuur tot stand brengen. 

Gebruiksovereenkomsten ¬– Die afnemende meerwaarde is een zegen voor iedereen die geen (of minder) kapitaal heeft opgespaard. Immers, het wordt voor de kapitaalhouder die slechts een schaarste van eigen arbeidstijd heeft, interessant zijn kapitaal uit te lenen aan anderen. Als de kapitalist in plaats van een extra grote graafmachine aan te kopen, er één aankoopt voor iemand zonder (of met te weinig) kapitaal, in ruil voor een vergoeding van die arbeider die groter is dan hetgeen een extra grote graafmachine had kunnen opleveren, maar kleiner dan hetgeen de arbeider extra kan produceren door zijn handen bij het graven in te ruilen tegen een graafmachine gaan beiden erop vooruit. Deze ruil levert en de kapitalist en de arbeider een verbetering van zijn situatie op.

Kapitaal gebruiken zonder sparen – De arbeider wordt dus niet bestolen van zijn arbeid. De arbeider wordt de kans aangeboden zijn arbeid meer te laten renderen dan hij kon met zijn eigen kapitaal. De kapitalist die zijn consumptie uitstelde en zo kapitaal opbouwde, verschaft de arbeider dus de kans om te genieten van het kapitaal zonder dat die arbeider zelf zijn consumptie moest uitstellen, zelf moest sparen om dat  kapitaal op te bouwen. De extra inkomsten uit de verhoogde productiviteit die ontstaat uit het gebruik van het kapitaal, stellen de arbeider overigens in staat, zijn inkomen te verhogen (als die er niet voor kiest van de extra productiviteit te genieten door meer vrije tijd te nemen), en zo die dat wenst meer te consumeren of zelf meer te sparen en aldus zelf kapitaal op te bouwen.

Voorbeelden – Enkel voorbeelden helpen te verduidelijken dat we heel wat nut halen uit het vermogen van anderen. In wiens vermogen de server van Facebook, de stoelen van de Panos of de winkelruimte van de Colruyt bijvoorbeeld zitten, is geen aanwijzing van de verdeling van de welvaart. Mark gebruikt de server niet, u en ik gebruik die server. De Panos-eigenaar zit niet op duizenden krukken. Ik en u zitten daar. De Colruyt-familie geniet niet van de parkeerplaats, de winkelruimte, lage prijzen of het karretje. Ik en u doen dat. Mark werkt niet aan de server. Louis, de technieker van Facebook, doet dat. De Panos-eigenaar heeft geen job en inkomen dankzij de kruk, Michel, die daar werkt, heeft dat. Het is niet Colruyt die aan de kassa staat, maar Anja de kassierster van de Colruyt. 

Gebruiksnut zonder sparen – Het nut dat betrokkenen uit elk van die kapitaalgoederen halen is steeds groter dan het nut dat de kapitaalbezitter uit dat specifieke kapitaalgoed haalt. Die mensen die spaarden en kapitaal cumuleerden dat andere kunnen benutten zijn daarom mijn helden van elke dag. Ze geven me een toegang tot de voordelen van sparen zonder dat ik er consumptie voor moet uitstellen. Ze zijn de grootste bijdrage tot de welvaart die we hebben. Beeldt u een wereld in zonder die mensen hun kapitaalgoederen.

Accumulatie – Wie kapitaal goed beheert, kan dat in omvang laten groeien. Wie dat slecht doet, zal het aan schuldeisers verliezen, die dan kunnen proberen het efficiënter aan te wenden. Een zekere vorming van kapitaalconcentraties is dus normaal en helpt tevens het kapitaal efficiënt te beheren zodat het in stand wordt gehouden en groeit en ons allen nog meer kan helpen meer te doen met dezelfde arbeidstijd die we hebben.
 

Conclusie – Groot kapitaal geeft mensen de mogelijkheid te genieten van de voordelen van kapitaalgoederen, zonder dat ze zelf hun consumptie moesten uitstellen. Ze zijn zelf geen probleem, ze zijn de grootste hulp die elk van ons heeft om problemen te overwinnen die eigen zijn aan de menselijke behoeftige situatie.


(v)    Conclusie

Kapitaal en eigendom – Het probleem is niet dat sommige mensen veel kapitaal hebben. Het probleem is eerder dat de rest er zo weinig heeft gecreëerd door consumptie op te offeren voor het scheppen van kapitaal. Wat we moeten doen om onze situatie structureel te verbeteren, is meer kapitaalgoederen produceren door consumptie uit te stellen en een vermogen over te dragen aan onze nabestaanden. Daarnaast moeten we natuurlijk het rechtssysteem verder aanpassen zodat men enkel andermans arbeid en middelen kan gebruiken wanneer die vrijwillig instemt omdat die meent dat diens toestand erop verbetert en daarvan blijk geeft door vrijwillig in te stemmen met de ruil. In tegenstelling tot wat Oxfams slogans deden vermoeden, zijn degene die grote vermogens hebben goed bezig, het is de rest die achterblijft. En soms is dat inderdaad het gevolg van onrechtmatig handelen. We helpen de achterblijvers door eigendomsrecht te beschermen en consumptie uit te stellen, niet door diegenen die het al goed doen te plunderen.  

Volgende onderdeel – Waar vermogensconcentraties op zich geen probleem vormen, betekent dit natuurlijk niet dat er vormen van ongelijkheid zijn waar vraagtekens bij geplaatst kunnen worden. Die vraagtekens horen evenwel thuis in de morele orde en worden dan ook in een aansluitend onderdeel kort aangeraakt.


(vi)    Ter uitleiding: consumptieongelijkheid en morele verantwoordelijkheid

Inleiding – Het voorgaande betekent natuurlijk niet dat meer relevante ongelijkheden, zoals consumptieongelijkheden, misschien wel zinvol zouden kunnen bekritiseerd worden. Het lijkt me immers dat het de persoonlijke morele plicht is van elkeen om na te gaan of de positieve gevolgen die een handelen heeft op de eigen situatie wel proportioneel zijn t.o.v. de gevolgen die dat handelen heeft op de situatie van anderen. 

Morele verantwoordelijkheid – In zoverre men in staat is om de ander zijn situatie te verbeteren door een opoffering die in de eigen situatie weinig verschil zou maken, lijkt me het de morele plicht te zijn die ander te helpen. Elkeen is verantwoordelijk voor het verschil tussen de toestand van andere zoals die zich verwezenlijkt en zoals die had kunnen zijn bij een ander handelen. Maar die verantwoordelijkheid vereist geen totale zelfopoffering en heeft de proportionaliteit zoals die hiervoor net is uiteengezet als toetssteen. 

Morele plicht is geen recht – Dat hier een morele plicht bestaat, betekent evenwel niet dat men het via het recht die plicht zou moeten handhaven. Integendeel. Rechtvaardigheid gaat over recht, over welke claims men met geweld mag afdwingen, over de ethiek van geweld. Morele verantwoordelijkheid daarentegen gaat over morele verplichtingen jegens de anderen, de ethiek van de vrijwillige interactie. De morele verantwoordelijkheid mag niet vermengd worden met de rechtvaardigheid omdat men dan dreigt de morele verantwoordelijkheid met geweld af te dwingen en dus de ethiek van het geweld, en de restricties die de ethiek van het geweld op het gebruik van geweld zet, overboord te gooien. Daardoor zal men in de meest ongeciviliseerde samenleving belanden: de samenleving die geen terughoudendheid heeft om geweld te gebruiken, geen ethiek van geweld kent, een samenleving die selecteert wat wel en niet gebeurt op basis van wie het meest bereid is geweld tegen anderen in te zetten om zijn visies en doelen te verwezenlijken, een samenleving die werkt op een selectiesysteem van geweld. Zo’n totalitaire (theocratische) rechtsorde herleidt mensen tot het object van andermans morele plannen, terwijl de erkenning van eigendomsrecht daarentegen de middelen aanwijst die men mag gebruiken om eigen doelen na te streven, inclusief zijn morele plicht en de kans geeft om aldus te ontsnappen aan dwalende ideeën, immorele leiders en falende instituties door zijn middelen elders in te zetten.

Quid kapitaalconcentratie? – We willen hier nogmaals benadrukken dat consumptie minderen om anderen te helpen die het slechter hebben, daarbij een morele plicht kan zijn, maar het twijfelachtig is of het vernietigen van het kapitaal door het op te consumeren of aan hen uit te delen die anderen hun situatie zal verbeteren. Het tegendeel lijkt waarschijnlijker als we rekening houden met het verschil tussen de natuurtoestand van de mens en de huidige samenleving die gebruik kan maken van kapitaal. Kapitaalaccumulatie lijkt zelfs een wijze waarop men andere middelen ter beschikking kan stellen om hun productievermogen te vergroten en aldus hun situatie te verbeteren.

Conclusie – Er bestaan wel redenen om een meer egalitaire inkomensverdeling te bepleiten. Maar de plichten die bestaan om voor anderen te zorgen zijn morele plichten en geen rechten. Zorgen voor elkaar doen we met vrijwillige interactie en niet met geweld. Een morele plicht is een verplichting die men enkel met afkeuren en goedkeuren mag proberen af te dwingen. 

 

Jitte Akkermans

Comment

Comment

Drugspolitiek in Portugal

Untitled.png

Nu Uruguay, als eerste land ter wereld, besloten heeft om de productie, verkoop en consumptie van cannabis te legaliseren, ondanks zware druk vanuit conservatieve hoek, oogt het de moeite om eens dichter bij huis te kijken. Bijna twaalf jaar geleden was Portugal de trendsetter op het Europese continent, toen het een decriminalisering doorvoerde van bepaalde drugsmisdrijven.

From Salazar with love

De Portugese drugspolitiek kwam natuurlijk niet zomaar uit de lucht gevallen. Om de origines van het drugsprobleem in het Iberische land te zien, moeten we terugkeren naar de tijd van Antonio Salazar, eerste minister van Portugal tussen 1932 en 1968, met een hoge score op de dictatoriale schaal. Salazar hield met zijn União Nacional (een nationalistische, corporatistische en deels fascistische partij), Portugal decennialang in een sfeer van repressie en protectionisme. Dit alles paste in zijn Estado Novo politiek, waarbij het lot van Angola, Mozambique en de diverse eilandengroepen die nog in de Portugese koloniale portefeuille zaten, gekoppeld werd aan het lot van het Portugese thuisland. Na de machtsovername door Salazars opvolger Marcelo Caetano, een wat kleurloze professor, kwam het land in opstand. Dit leidde tot de Anjerrevolutie van 1974. Portugal, compleet verpauperd en afgesneden van de wereld, kende eventjes een opstoot van marxistische gedachten, die echter – o verrassing – ook niet de verhoopte oplossing bleek te zijn. Al snel ontstond dan ook een parlementaire democratie, gedomineerd door drie partijen: socialisten, sociaal-democraten – in feite schapen in wolvenkleding, want de sociaal-democraten van Portugal voeren al jarenlang een centrumrechtse koers – en een rechts-populistische volkspartij. Ondertussen kregen de Portugese kolonies hun onafhankelijkheid en brachten de vele landgenoten die thuiskwamen van koloniale avonturen, grote hoeveelheden drugs mee. Ook de drugsgolven die Europa overspoelden in de jaren '80 en '90, gecombineerd met de repressieve aanpak van de verschillende regeringen, zorgde ervoor dat de drugsvlek enkel maar uitbreidde. Aan het begin van de 21ste eeuw stond Portugal dan ook met 100.000 mensen die onder de zwaardere categorieën van drugsverslaving vielen.  Tel daarbij de hoogste ratio van HIV besmettingen over de gehele EU, veroorzaakt door vervuilde naalden, en men zat men de handen in de donkere haren.

Speak softly and don't carry a big stick

Anno 2000 hadden de Portugezen dus twee keuzes: ofwel verscherpten ze, zoals de VS en vele Westerse naties geregeld verkiezen, de drugswetgeving, dan wel ging men nadenken over een decriminalisering of zelfs een volledige depenalisering. Alhoewel de commissie die hiertoe werd opgezet al gauw dacht aan een volledige legalisering van softdrugs, bleek deze optie zo goed als onmogelijk, vanwege het keurslijf van Europese en internationale regels waarin Portugal gekneld zat. De grootste consensus, op de Volkspartij na, werd dan ook gevonden in een decriminalisering van drugs. Voor alle duidelijkheid, het gaat hier om een gedeeltelijke decriminalisering. Drugsdealers riskeren nog altijd een criminele straf, maar mensen die betrapt worden met een hoeveelheid drugs die overeenkomt met een tiendaagse consumptie of minder – in casu bv. 25 g marihuana of 5 g hasj – krijgen hooguit een administratieve sanctie, vergelijkbaar met een parkeerboete.

Samen met de decriminalisering werden zogenaamde "ontmoedigingscommissies" opgericht in elk van de 18 Portugese districten, waarin normaal gezien een advocaat, een sociale werker en een psycholoog of medicus zetelen. De bedoeling is dat mensen die betrapt worden met kleine hoeveelheden, zich binnen de 72 uren melden bij zo'n commissie. Daar probeert men zo weinig mogelijk de sfeer van een rechtbank op te wekken, om zo niet de indruk te wekken dat het om een "straf" gaat. Deze commissie maakt dan een onderscheid naargelang de overtreder een recreationeel gebruiker is, dan wel een duidelijk voorbeeld van een verslaafde. In het eerste geval gaat men bij een eerste keer bijna nooit iets doen, na herhaalde inbreuken kan men iemand hoogstens "veroordelen" tot een kleine boete of enkele dagen gemeenschapsdienst. Ook blijft de privacy tijdens deze procedures zo veel als mogelijk gewaarborgd. Voor verslaafden wordt erin voorzien dat ze zich kunnen laten opnemen, maar men probeert zo veel als mogelijk de nadruk op vrijwilligheid te leggen. Het grote voordeel is dat, doordat men het sociale stigma van een strafrechtelijke veroordeling vreest, veel meer mensen geneigd zullen zijn om vrijwillig in behandeling te gaan.

En de resultaten?

Twaalf jaar na de wetgeving, is er, mede door de internationale interesse in het Portugese experiment, ondertussen empirisch materiaal genoeg om aan te tonen wat de wetgeving nu werkelijk veranderde. Had de rechterflank gelijk, toen ze beweerde dat Lissabon anno 2013 het Amsterdam van Zuid-Europa ging worden en het land van Hendrik De Zeevaarder voortaan met een joint in de hand door het leven ging? Kortweg: nee. Dit effect is aantoonbaar op twee fronten. Qua gebruik van drugs in "absolute termen", is Portugal geen weedland geworden. Over het algemeen is het drugsgebruik in absolute termen min of meer gelijk gebleven. Daarbij moet dan nog worden gerekend dat doordat het sociale stigma rond drugs grotendeels verwijderd is, mensen in dergelijke enquêtes eerder geneigd gaan zijn om een eerlijk antwoord te geven. Maar daar waar het drugsbeleid niet zozeer gericht was op het terugdringen van drugs op absolute schaal, heeft het des te beter zijn effect bewezen in zijn werkelijke bedoeling: het terugdringen van HIV-verspreiding, drugs bespreekbaar maken en een stijging van het aantal mensen dat zich vrijwillig laat interneren. Op die vlakken zeggen de cijfers meer dan genoeg: daar waar in 1999 slechts 6040 mensen in behandeling waren, steeg dit in 2003 al tot 14877 en verder tot 24000 in 2008. Data toont aan dat dit niet komt doordat er meer mensen verslaafd geraken, maar juist doordat men zelf vlugger hulp wil zoeken. Verder daalde ook de straatprijs van drugs, waardoor ook het illegaal handelen in drugs minder interessant gemaakt is. Tot slot blijkt Lissabon ook nog niet zo populair te zijn als Amsterdam, want 95% van de drugszaken worden gepleegd door Portugezen zelf.

Untitled.png

Geen wondermiddel

Ondanks alles, is het Portugese model geen wondermiddel. Voor vele liberalen zal het ongetwijfeld (en deels ook terecht) een beleid zijn dat bijlange niet ver genoeg gaat, omdat de staat nog steeds een actieve rol speelt en drugs an sich nog steeds niet volledig geaccepteerd worden. Wat het model wel toelaat, is om drie interessante conclusies te trekken. Ten eerste wordt definitief aangetoond dat een versoepeling van de drugswetgeving niet leidt tot massaal gebruik ervan. Ten tweede blijkt dat zulke aanpak vooral effecten heeft voor de zwaardere druggebruikers, die op deze manier op een efficiëntere manier geholpen kunnen worden. Tot slot toont het ook aan dat het mogelijk is om, als regering, de drugsproblematiek op een pragmatischere, innovatievere manier op te lossen dan in vele andere Westerse landen, waar men nog steeds geen consistent beleid heeft uitgewerkt, maar integendeel vaak de rechtszekerheid verlaagt door nu wel dan niet een onofficieel gedoogbeleid te voeren.

Natuurlijk kan het ook beter, zoals president José Mujica van Uruguay deze zomer aantoonde. Via de zogenaamde marihuana-wet wordt het mogelijk om zelf een (beperkte) hoeveelheid cannabis te produceren, zelf te gebruiken of te kopen in door de overheid erkende apotheken. Maak je echter geen illusies: de wetgeving blijft beperkt tot marihuana, de overheid krijgt een serieuze vinger in de pap te roeren bij de distributie van de drugs en, tot grote spijt van de liefhebbers, geldt de wet enkel voor Uruguayanen. Deze wetgeving staat in schril contrast met de VS, waar recente cijfers aantoonden dat ongeveer de helft van de mensen die in een federale gevangenis zitten, daar zit voor een drugsmisdrijf. Daar zitten ze, voor wat in de meeste gevallen "crimes without a victim" zijn tussen brandstichters, moordenaars en dieven. Eén voordeel: ook president Obama zit met enkele bijtende luizen in zijn pels, sinds de staten Washington en Colorado in recente referenda ook voor een legalisering van marihuana kozen. Er is dus nog een lange weg te gaan, maar de eerste bemoedigende stappen zijn alvast gezet.

 

Filip Batselé

Comment

Comment

De productie van veiligheid

Als de vrije markt alle andere goederen en diensten kan en moet produceren, waarom dan ook geen veiligheidsdiensten?

Dit is de vraag die Gustave De Molinari tracht te beantwoorden in zijn essay De la production de la sécurité. Hij komt tot de conclusie dat veiligheidsdiensten helemaal geen uitzondering op de regels van vrije markten hoeven te zijn, in tegenstelling tot wat vele liberalen beweren. De Engelse vertaling van zijn werk kan u hier lezen.

Comment

Comment

De vrije markt zonder masker

De hedendaagse Westerse wereld leeft in een gemengde markteconomie. Het grootste deel van de politieke leiders zal inderdaad niet ontkennen dat de markt een gezonde basis is om een economie op te baseren. Maar volgens hen is de markt op zichzelf niet voldoende. Als we de burgers aan hun lot overlaten in een jungle van genadeloos en ongebreideld kapitalisme, klinkt het, zal het sociale aspect van de samenleving onverbiddelijk weggevaagd worden. Daarom moet de overheid tussenkomen. Om de zwaksten te beschermen. Om uitbuiting een halt toe te roepen. Kortom: om het kapitalisme een menselijk gezicht te geven.

Maar is dat echt nodig? Is het echt zo dat de sociale relaties tussen mensen in een vrije markt noodzakelijkerwijze afbrokkelen?

De markt en moraliteit

Untitled.png

Iedereen kent het klassieke argument voor de markteconomie, ontwikkeld door de Schotse filosoof Adam Smith. Individuen die optreden in de markt voor hun weloverwogen eigenbelang, dienen onrechtstreeks – en meestal onbedoeld – de belangen van ontelbare anderen rondom hen. In een markteconomie biedt dit individu namelijk goederen of diensten aan waar anderen naar verlangen. Het is daarom dat zelfs de meest onaangename, hebzuchtige persoon een productief lid van de samenleving kan worden: de enige manier om zich te verrijken is door meerwaarde te creëren voor de mensen rondom hem.

Het diepgewortelde wantrouwen jegens de vrije markt spruit voort uit die vaststelling. De positieve incentivestructuur wordt overschaduwd door het visioen van een kille, vijandige samenleving, waar mensen enkel uit zijn op geld in een mallemolen van hebzucht en onverschilligheid. De markt breekt dus diepgaande sociale relaties af, waarbij mensen niet meer “goed” handelen omwille van de morele waarde van die handeling, maar omdat het hen persoonlijk voordeel oplevert.

Vele mensen uiten om die reden morele bezwaren tegen de ongehinderde vrije markt. Dat ligt aan de opvatting over moraliteit die sceptici erop nahouden. Goed handelen kan volgens velen enkel echt waardevol zijn als men dit doet uit een plichtsbesef van wat het goede is. Wanneer identiek dezelfde handeling zou voorgeschreven worden, niet door plichtsbesef, maar door de voordelige uitkomst van diegene die handelt, verliest die handeling een groot deel van haar waarde. Ze is als het ware besmeurd met het stinkende slijm van het egoïsme en bijgevolg waardeloos.

Twee opvattingen over moraliteit

Hoe moeten we omgaan met deze kritiek van marktsceptici? Onder andere de Amerikaanse econoom Dwight. R. Lee maakt, opnieuw op basis van Adam Smith, een waardevol onderscheid tussen “mundane” en “magnanimous” morality, dat we hier ietwat onnauwkeurig zullen vertalen als “alledaagse” en “groothartige” moraliteit.

Wanneer sceptici het hebben over het gebrek aan moraliteit van de vrije markt, hebben zij het over het gebrek aan die laatste. Groothartige moraliteit wordt volgens Lee gekenmerkt door de doelbewustheid van de handeling, de persoonlijke opoffering die ermee gepaard gaat, en de duidelijk aan te wijzen begunstigden van die handeling. Een handeling is op deze manier enkel moreel wanneer iemand ze met doelbewust opzet onderneemt. Daarnaast moet ze ook gepaard gaan met een opoffering; de grootte van het offer weegt niet zelden zelfs meer door dan het opgeleverde voordeel voor de begunstigde. Onze opvattingen over moraliteit zijn doordrongen met dit beeld. Het is volledig uit den boze om zelf voordeel of winst te halen uit je handelen. Het wordt duidelijk dat moreel handelen hier net zoals de economie volgens velen een ‘zero-sum game’ is; als één iemand zich verrijkt, is dit enkel mogelijk ten koste van een ander. Daarom uiten we massaal bewondering voor de goede ziel die zijn leven spendeert aan het verzorgen van armen, maar hebben velen enkel giftige woorden voor de ondernemer die zichzelf verrijkt – terwijl hij nochtans honderden, vaak zelfs duizenden mensen een weg uit de armoede biedt.

Maar er bestaat dus ook een andere vorm van moraliteit. Deze alledaagse moraliteit is het spiegelbeeld van het voorgaande, en wordt negatief ingevuld. Klassieke liberale grondregels zoals het non-agressieprincipe en respect voor eigendomsrechten vallen hieronder. Adam Smith omschrijft dit als ‘mere justice’. Aan deze voorschriften van ‘mere justice’ wordt volgens Smith dus eigenlijk al voldaan wanneer je “gewoon stilzit en absoluut niets doet”.

De eerste vorm van moraliteit geniet duidelijk een veel groter aanzien in de ogen van vele mensen. Dat is ook de reden waarom zoveel mensen geneigd zijn overheidsinterventie te zien als oplossing van ongewenste uitkomsten van de markt. Politici doen buitengewoon veel moeite om kiezers ervan te overtuigen dat zij handelen binnen een kader van groothartige moraliteit. De overheid neemt namelijk zeer doelbewust maatregelen zogezegd ten voordele van aanwijsbare begunstigden, zoals werklozen. Dat is een verleidelijke manier om een zeer verraderlijk beeld te scheppen van overheidsinterventie. Kiezers voelen zich aangetrokken tot dergelijke interventies omdat zij dan het gevoel krijgen dat zij een deel van hun eigen welzijn (in de vorm van belastingen) opofferen ten gunste van hulpbehoevenden.

Twee werelden

De vrije markt wordt dus afgerekend op het gebrek aan grootmoedigheid. De wereld zou een plek moeten zijn waar mensen geven om elkaar in plaats van een ijzige vlakte van onverschilligheid. Dat laatste is zeker en vast waar, maar de grote vraag is of de marktwerking dit ideaal wel in de weg staat, of het juist mogelijk maakt dit ideaal na te streven.

Het is belangrijk in te zien dat beide vormen van moraliteit hun eigen werkingssfeer hebben – en dus ook hun eigen beperkingen. In de intiemere kringen van het individu, zoals vrienden en familie, wordt verwacht dat we niet gewoon handelen uit puur eigenbelang. De ‘mere justice’ van Smith is hier niet voldoende. Onze interactie met mensen uit deze intieme kring is gebaseerd op wederkerigheid en vertrouwen. Dat hoeft ook niet te verbazen: door onze langetermijnrelaties met deze mensen kunnen we het ons veroorloven om het persoonlijk voordeel van een bepaalde handeling uit te stellen naar een ander moment in de toekomst.

Anderzijds hebben we voortdurend lossere, meer vrijblijvende contacten met mensen die zich in niet in onze intieme levenssfeer bevinden. De verkoper in de winkel, de taxichauffeur en de kok in het restaurant zijn mensen waarmee we vaak slechts eenmalig en kortstondig mee interageren. Met vele tienduizenden mensen hebben we zelfs maar heel indirecte relaties. Onze omgang met deze mensen is dus logischerwijze fundamenteel verschillend van die met mensen die we persoonlijk kennen.

Hoe verzoenen we nu deze twee soorten relaties? En welke moraliteit moeten of kunnen we erop toepassen? Het wordt duidelijk dat we de zware verplichtingen van groothartige moraliteit niet kunnen toepassen op onze uitgebreide levenssfeer.

Untitled.png

Ten eerste is het aantal mensen waar we oprecht en diep om kunnen geven noodzakelijkerwijze zeer beperkt in vergelijking met het aantal mensen waar we indirect maar productief mee interageren. Het is niet alleen onmogelijk om op deze manier te geven om volstrekte vreemden aan de andere kant van de wereld, het zou ook al onze intieme relaties uithollen en doen instorten. De kosten (in de brede zin) die gepaard gaan met dergelijke intieme relaties laten immers slechts een beperkt aantal ervan toe. Wanneer we onze beperkte tijd en energie zouden moeten spenderen aan het cultiveren van duizenden intieme relaties, zouden we daar grandioos in falen.

Ten tweede steekt ook hier het alom gekende kennisprobleem de kop op. Zelfs al zouden onze harten overlopen van oprechte liefde voor volstrekte vreemden, zouden we zonder de marktwerking machteloos zijn om deze onbekende geliefden te helpen. Het is immers onmogelijk om alle relevante informatie en kennis te verzamelen over de specifieke noden van miljoenen mensen over de hele wereld. Zonder het prijsmechanisme dat ontstaat uit de markt om versplinterde kennis over allerlei omstandigheden te bundelen, bestaat er geen manier om te weten welke middelen op welk moment het meest nodig zijn op een bepaalde plek. Onze harten zouden breken in wanhoop bij het zien van onze onmacht om elkaar te helpen, al onze goede bedoelingen ten spijt.

 Maar toch leven we in relatief stabiele harmonie met miljoenen vreemden en gaan we dagelijks ontelbaar veel productieve samenwerkingen met hen aan. Vele mensen vergeten dat het de marktwerking is die deze voordelige samenwerking mogelijk maakt. Dankzij de marktwerking ontstaan er systemen van wederzijdse hulp en bijstand, daar waar we er anders nooit aan gedacht zouden hebben deze vreemden te helpen (al was het maar omdat we niet eens wisten dat ze bestonden). Zo vereist een verzekering niet dat iedereen elkaar kent en diep om elkaar geeft, terwijl ze er wel voor zorgt dat we elkaar uit de nood helpen. De vrije markt stelt ons dus in staat om op een harmonieuze wijze om te gaan met zowel onze eigen onwetendheid als met de zuinigheid van onze harten.

Vrije markten maken warme nesten

Het is niet alleen zo dat de markt het ons mogelijk maakt om sociale relaties van verschillende intensiteit aan te gaan waar zij anders niet zouden kunnen bestaan. De vrije markt is ook het kader waarbinnen we de meest waardevolle intieme relaties kunnen onderhouden met onze naasten.

In een markteconomie zijn familieleden minder economisch afhankelijk van elkaar. We kunnen dat aspect van ons leven als het ware ‘outsourcen’ naar anderen in de samenleving waar we een minder hechte relatie mee hebben. Dit heeft tot gevolg dat de ‘economische druk’ op relaties binnen een familie afneemt. Terwijl men vroeger zijn kinderen zo vroeg mogelijk op het veld liet werken omdat het gezin anders niet voldoende te eten had, kunnen we door economische vooruitgang op andere wijze in ons onderhoud voorzien – en dat in samenwerking met al die miljoenen vreemden over heel de wereld waarvan we het grootste deel nooit zullen ontmoeten of kennen.  Dat betekent dat er tijd vrijkomt die we kunnen besteden aan diepgaandere relaties met onze familieleden. Er is ruimte om het contact met de leden van onze intieme levenssfeer uit te diepen, juist omdat die andere, bredere sfeer van onpersoonlijke markttransacties bestaat.

Het menselijk gezicht van het kapitalisme

We hebben gezien dat de afkeer van de marktwerking voor een groot deel  veroorzaakt wordt door de focus op één soort moraliteit. Die exclusieve focus geeft een vertekend beeld van de sleutelrol van onpersoonlijke markttransacties. We kunnen onmogelijk de moraliteit die onze intieme en noodzakelijkerwijze beperkte levenssferen beheerst projecteren op de rest van de wereld. Dat is niet alleen onmogelijk door het feit dat mensen niet in staat zijn om op dergelijke schaal zo diep te geven om mensen die ze niet kennen, maar ook omdat we nooit de noodzakelijke kennis daartoe kunnen bezitten. De vrije markt zorgt ervoor dat we alsnog voordelige relaties kunnen aangaan met miljoenen vreemden waar we onmogelijk zoveel om kunnen geven, en dat we zo vreedzaam kunnen samenwerken. Daarenboven maakt de markt het mogelijk om onze bestaande intieme relaties meer diepgang te geven door de toenemende welvaart en vrijheid die ermee gepaard gaat.

Deze inzichten zijn echter geen vrijgeleide voor apathie. Natuurlijk is het bewonderenswaardig dat mensen zich onzelfzuchtig inzetten voor het welzijn van anderen. Sterker nog, de reden waarom liberalen zoveel vertrouwen hebben in individuele vrijheid en verantwoordelijkheid, is juist omdat zij ervan overtuigd zijn dat individuen en de gemeenschappen waar ze deel van uitmaken wel degelijk oprecht kunnen geven om het lot van anderen. Maar liberalen zien ook in dat dit op zichzelf genomen geen voldoende basis is om een duurzaam welvarende samenleving op te bouwen. Het zijn de onpersoonlijke transacties in de vrije markt die ons die basis geven. De vrije markt heeft geen overheden nodig om haar een menselijk gezicht te geven. De vrije markt zonder masker is inherent menselijk.

 

Dimitri Sonck

Comment

Comment

De Arbeidswaardetheorie

De manier waarop economische theorieën omgaan met het concept van "waarde" is uiteraard van fundamenteel belang: men zou het argument kunnen maken dat zij in feite om niets anders draaien dan dat. De verschillende economische scholen kan men dus grosso modo in twee categorieën onderverdelen: zij die ervan uitgaan dat de waarde van een goed objectief is, en zij die stellen dat waarde subjectief is. De eerste kant heeft als bekendste strijder Karl Marx, terwijl de tweede kant met namen zoals Ludwig von Mises en Murray Rothbard pronkt.

Het liberalisme (en specifiek de filosofie van kapitalisme) gaat uit van de subjectiviteit van economische waarde. Een diepgaande discussie over waarom een objectieve maatstaaf voor waarde niet werkbaar is, is te lezen op Libertarian.nl.

Comment

5 Comments

Kapitalistische wortels: de Venetiaanse republiek

Wie vandaag rondloopt in Venetië, ooit de grootse stad van Marco Polo, vindt er ongetwijfeld de volgende zaken: toeristen, toeristen en meer toeristen. Toch was dat niet altijd zo: heden ten dage is het trendy Milaan van Silvio “Bunga Bunga” Berlusconi misschien wel de economische hoofdstad van Italië, maar ooit scheen de ster van Venetië veel feller dan die van haar Lombardijse buur. Hoe kwam het dat een onbenullig eilandengroepje zoveel macht kon krijgen in het Europa van de jaren 1000 tot bijna 1500?

Untitled.png

From zero to hero

Niets uit de vroege Venetiaanse geschiedenis wees erop dat de stad een mooi leven beschoren zou zijn. De origines van de stad liggen in een verzameling kleine eilandjes die zichzelf wilden beschermen tegen Lombarden, Hunnen en consoorten, die er in de 5de eeuw een sport van maakten om de resten van het West-Romeinse Rijk te plunderen. De vroege Venetianen waren dan ook maar wat blij toen bleek dat ze onder de beschermende hand van Byzantium konden leven. De economie was in die tijden gebaseerd op het overzetten van mensen per boot, vissen en het exporteren van zout naar de (kleine) Italiaanse buren.

De hulp van Byzantium bleek later de beste manier om Venetië klaar te stomen voor een belangrijke internationale rol. Toen het Exarchaat Ravenna, zoals het Italiaanse stukje Byzantijnse Rijk werd genoemd, op de rand van de afgrond stond, zag Venetië zich sterk genoeg om een eigen rol te gaan spelen. Doordat ze altijd al tot de zee gedwongen was, had ze zich door de constructie van havens alvast wat groter gemaakt. In 726 werd Ursus, met goedkeuring van de bazen uit Byzantium, als eerste Doge van Venetië benoemd. (Doge is een Venetiaanse verbastering van het Latijnse woord “dux” ofwel leider). Rond 800 kreeg Venetië dan ook de facto onafhankelijkheid.

Dat de geschiedenis de lagunestad gunstig gezind was, mag blijken uit die onafhankelijkheidsdatum. Rond die tijd zag het Europese continent geleidelijk aan weer het licht, nadat het grotendeels in verval lag tussen het einde van het WRR en de opkomst van Karel De Grote. Maar hoe zou een kleine havenstad, die weinig natuurlijke rijkdommen had, bijna geen economisch hinterland om te exploïteren of een bevolking die groot genoeg was om zich te meten met de Europese grootmachten van die tijd, ooit groot worden? Het antwoord: via een rudimentaire vorm van kapitalisme.

In de eerste eeuwen na haar onafhankelijkheid kon Venetië, via een gehoorzame politiek ten opzichte van de Byzantijnse buur, steeds meer concessies van haar afdwingen, zodat ze in 1082 via de Gouden Bulle uiteindelijke tolvrije toegang tot het Byzantijnse rijk kreeg. Rond 1050 had de stad al een inwonersaantal van 45.000, wat gradueel zou stijgen toen haar grootste innovaties volledig doorbraken, in het bijzonder het commenda-systeem.

 Een primitieve joint stock company

Een korte definitie van het commenda-, ofwel collegantia-systeem dringt zich ten eerste op. Kort gezegd was het een overeenkomst waarbij een investeerder (de socius stans) fondsen gaf aan een reizende partij (de socius procertans) die op handelstocht ging. De investeerder droeg het risico dat wanneer de reis mislukte, – een reële optie in de middeleeuwse wereld –  hij het verlies moest dragen, echter bij een geslaagde reis was hij gegarandeerd van een grote winst (zeker gezien het grote verschil tussen de aankoopprijzen van goederen in de Levant en de verkoopprijs op de West-Europese markt, waar “globalisering” totdantoe bijna beperkt was tot de jaarmarkten van de Champagne). Concreet waren er twee mogelijkheden: ofwel leverde de socius procertans 100% van de investeringen en maakte hij kans op 75% van de winst, ofwel 67% en kreeg hij 50%.

Blijft wel de vraag waar dat Commenda-systeem ergens vandaan komt. Ook al zijn historici niet geheel zeker over haar origines, de meeste bronnen lijken te wijzen naar de Islamwereld (die het weliswaar op haar beurt misschien uit andere tradities overnam...). De Arabische wereld was rond het jaar 1000 misschien wel het meest ontwikkelde gebied op de aardbol, omdat het contact had met zowel China, India, Europa als Afrika. Ter illustratie: op gebied van intercontinentale handel hield datzelfde West-Europa zich op dat moment enkel bezig met de export van slaven en zwaarden naar Oost-Europa en het Midden-Oosten, niet meteen de meest kapitaalsintensieve producten. Alleszins stonden de Arabieren wel open voor handelscontracten allerhande; de profeet Mohammed himself was bijvoorbeeld een handelaar.  Het Commenda-systeem werd dan ook vanaf het einde van de 8ste eeuw geëxporteerd naar Venetië via haar contacten met de Levant, maar alle Arabische ideeën werden pas volledig doorgegeven toen de paus aan het einde van de 11de eeuw het tijd vond voor een kruistocht of zeven. Vandaar ook dat woorden zoals douane, tarief, risico en opslaghuis puur overgenomen zijn uit het Arabisch.

Een gemakkelijke kritiek zou dan kunnen dat het Commenda-systeem simpelweg de kapitalist, die vuile socius stans, ten goede zou komen. Dat was echter compleet fout: er was geen volledige scheiding tussen kapitaal voor de ene en arbeid door de andere. De reizende partij genoot van de vrijheid die ontstond door het ontbreken van handelsbarrières in het Byzantijnse Rijk. Zo kon hij meerdere reizen tegelijk ondernemen, ondertussen ook zelf mensen aanstellen en tegelijk leningen aan anderen toestaan. Zo kunnen we uit de annalen zien dat zeer veel mensen, die nochtans zelf van lage afkomst waren, vlug in de bovenste regionen van de Venetiaanse maatschappij terechtkwamen. Ook pauselijke verboden op handel met de Arabieren lachten de Venetianen (en hun Genuese collega’s) vlotjes weg. De incentive tot winst was sterker dan de macht van de paus, die zijn moreel gezag weliswaar wat ondermijnd zag door het gesjacher met aflaten.

 Niet de eerste, maar wel de beste

Was Venetië dan de eerste stadstaat die met zulke lumineuze ideeën kwam? Zaten de heren in Genua, Milaan of Firenze dan maar wat te kuieren in de stad? Neen, zeker niet. Weinig van de Venetiaanse ideeën zijn dan ook erg origineel.

Zoals al aangetoond, kwamen zowel het commenda-systeem als verschillende andere begrippen overgewaaid uit de Arabische wereld. Er zijn echter tal van andere voorbeelden te geven.

Gouden munten? Lange tijd niet nodig geacht in Venetië, men ging ze liever halen in Byzantium. Die gouden solidus was goed, totdat hij begon te depreciëren. Men ging dan maar kijken in Italië en zag dat Genua en Firenze ondertussen ook munten sloegen, dus kon men evengoed een eigen Venetiaanse dukaat lanceren. Naar Firenze, niet toevallig ook een republiek, werd overigens wel meer gekeken. Zowel dubbel boekhouden, holdings als cheques waren veel eerder te vinden aan de oevers van de Arno dan aan de Adriatische Zee.

Waarom gaat dit stuk dan over Venetië en niet over haar buren? Daar bestaan verschillende goede redenen voor. Alhoewel Genua een grote kanshebber was, was de geschiedenis deze stad minder gunstig gezind. Ze kon slechts bijna 300 jaar na Venetië haar (bijna-)onafhankelijkheid verzekeren, vertrok vanuit een moeilijke positie met vele concurrenten en bleek uiteindelijk het kleinere broertje van Venetië. Voor Firenze zijn de redenen economischer van aard. Alhoewel ook deze stad pre-kapitalistische trekjes vertoonde, was haar maatschappij corporatiever dan die van de Venetianen. Ze werd gedomineerd door enkele grote spelers, terwijl de Venetianen letterlijk en masse hun geld in het encommenda systeem steken. Doordat Venetië op die manier economisch zelfvoorzienend was, had het ook minder nood om dat stelsel naar de buitenwereld te exporteren. Het grootste verschil lag er dus in dat meer Venetianen een deel van de koek in de wacht konden slepen.

De politieke motor van Venetië...en haar sputtering

Nu we het economische verhaal achter Venetië hebben bekeken, moeten we nog zien welke politieke factoren dit proces konden faciliteren.

De belangrijkste functie binnen de Republiek was overduidelijk die van de Doge. Dit was normaal gezien een levenslange functie, die weliswaar niet erfelijk was, zodat men niet met de problemen van zwakke koningen uit Europa zat. Ook waren de Venetianen misschien wel de eerste die de regel van de bijzondere meerderheid gebruikten om hun Doge te kiezen, waardoor factionalisme onder aristocraten grotendeels werd beperkt. Wat echter belangrijker was, is het feit dat door dat commenda-systeem nieuwe rijken gemakkelijker in het systeem geraakten. Hierdoor erodeerde de macht van de Doge gemakkelijk en werd hij al gauw onderworpen aan een systeem van checks and balances. Daardoor kreeg men onder andere de vorming van een Ducale Raad, een Grote Raad en verschillende collegia. Die werden weliswaar gedomineerd door de aristocratie maar lieten, veel meer dan in andere Europese maatschappijen van die tijd, veel ruimte voor nieuwe rijken.

Als er echter één ding is dat rijken niet leuk vinden, is het wel hun geld verliezen. Dat is echter inherent aan een kapitalistisch systeem, waarbij er door creative destruction steeds nieuwe ideeën kunnen bovenkomen die de oude vervangen en voor verbetering zorgen. Voor de “oude rijken” van dat moment is het dan ook steeds de kunst om de overheid naar haar wil te kunnen buigen, wat in Venetië niet anders lag.

Hier ligt dan ook de oorsprong van de sputtering van het Venetiaanse systeem, het begin van het einde van haar rol als een grote wereldmacht. Door een proces dat bekend staat als “La Serrata” wist de aristocratie de plekjes in de belangrijke raden zo goed als erfelijk te maken, waardoor er een einde kwam aan de doorstroming van nieuw talent naar de politieke rangen. Enkel in gevallen van uiterste nood, zoals oorlogen, werden er nog occasioneel nieuwelingen toegelaten tot de Raden. Op korte termijn was dit nog geen probleem, maar op langere termijn liep het hele systeem van Venetië zo vast. De stad bleef weliswaar gedurende haar hele bloeitijd een aristocratische samenleving, maar was de eerste Europese staat die zo dicht bij wat we nu als een democratie zouden bestempelen kwam.

Een intern probleem

Untitled.png

Critici van deze visie zullen geregeld andere redenen halen om het verval van de Venetiaanse Republiek aan te duiden. De opkomst van het Ottomaanse Rijk wordt dan vaak aangehaald, maar zoals al eerder gezegd waren pauselijke verboden (en soms zelfs oorlogen) nauwelijks een reden om de handel te stoppen. Een andere favoriet is de verwijzing naar het begin van de handel rond Kaap de Goede Hoop, waardoor Venetië overbodig zou zijn geworden. Deze visie is echter historisch incorrect. Alhoewel de Portugezen weliswaar probeerden om de Venetianen buiten de specerijenhandel te houden, die boomde vanaf de 15de eeuw, lukte dit ze niet. Ze slaagden er nooit in om tegelijk de Rode Zee en de Perzische Golf af te sluiten, waardoor de Venetianen altijd wel op de één of andere manier aan hun pepertjes en andere specerijen geraakten. Ook hielp het dat er vrijwel geen betere alternatieven waren dan Venetië, tegen dan slechts een schim van haar vroegere, kapitalistischere zelf. Germaanse handelaren in de stad kregen meer en meer restricties op hun handelen, maar hadden op dat moment nog geen ideale alternatieven.

Dat alles veranderde grotendeels met de opkomst van de Hanseatische Liga en later met de opkomst van Antwerpen en Londen. Vooral deze laatste twee zouden illustratief zijn voor de val van Venetië. Een van de zaken waarmee Venetië traditioneel kon pronken, was de kwaliteit van haar producten. Dit was echter geen beslissing die er via een vrijemarktproces kwam, maar wel door zware regulatie van de Venetiaanse gilden, aan de top gedomineerd door aristocraten. De Engelsen, die rond deze tijd politiek veel meer vrijheden genoten dan de meeste andere Europeanen, hadden geen last van deze restricties. Zij maakten lagere kwaliteit, verkochten deze ook aan een lagere prijs en gingen in sommige gevallen zelfs zo ver dat ze gewoon Venetiaanse logo’s op hun kledij aanbrachten, een praktijk waar sommige Chinezen nu nog jaloers op zouden zijn. Door de strikte regulatie kon Venetië niet meer reageren op deze concurrentie en verloor de stad in de zestiende en zeventiende eeuw meer en meer van haar prestige, waarna de restjes in 1797 door de aanstormende Napoléon werden opgeplukt.

Conclusie

Het verhaal van Venetië moet in de eerste plaats een les zijn voor verscheidene landen vandaag de dag, zoals China of Myanmar. In China kent men sinds de jaren ’80 weliswaar verregaande economische liberalisering, maar deze gaat niet gepaard met politieke vrijheden. In Myanmar overheerste een militaire kaste het land dertig jaar met harde hand, waarna nu een periode van democratisering lijkt te komen, maar waarbij de generaals een serieuze parlementaire (meerderheids)stok achter de deur houden. De betere economische instellingen zorgden dus voor een gevulde schatkist in Venetië, maar de sleutel van de kist werd jammer genoeg nog te veel vastgehouden door enkele aristocratische handen. Zodra deze kist werd gemonopoliseerd door een kleinere groep aristocraten, viel de hele constructie in duigen. Daardoor is Venetië nu voor Japanners een mooie attractie, maar voor ons een voorbeeld van hoe het niet moet.

 

Filip Batselé

5 Comments

Comment

Ontwikkelingshulp en the pretence of knowledge

Untitled.png

Het zijn spannende tijden in de wereld van de ontwikkelingssamenwerking. Op talrijke fora wordt druk onderhandeld over de inhoud en richting van de post-2015 millenniumdoelstellingen. Deze onderhandeling (of liever, heronderhandeling) zal ongetwijfeld een nieuw tijdperk van politieke goodwill en cijferfetisjisme inluiden. Economen en ontwikkelingsiconen in de voetsporen van Jeffrey Sachs en Bono hebben het jammerlijke geloof gevoed dat ontwikkeling bedacht kan worden en uitgeschreven in een marmeren conferentieruimte in de stratosfeer van New York City. Die logica is zo oud als de ontwikkelingsmachine zelf. Al in 1949 speechte Amerikaanse president Truman dat “humanity possesses the knowledge and the skill to relieve the suffering of these [poor] people.” Dat onderliggende geloof in wetenschappelijke kennis is nog steeds dominant in de ontwikkelingsdoctrine. Daarom spreken we over ontwikkelingshulp in termen van een morele plicht, of een doctrine van rechtvaardigheid. Het is logisch dat een doctrine die vertrekt van de capaciteit om duurzame groei te bedenken, het ontbreken van die groei slechts kan wijten aan slechte wil of gebrekkige financiering. Bono vat dit geloof mooi samen: “we have the cash, we have the drugs, we have the science -- but do we have the will?”

Het is echter van cruciaal belang om de gebrekkigheid aan te kaarten van gecentraliseerde en wetenschappelijke kennis in een proces van economische of sociale ontwikkeling. In deze opinie wil ik een conceptueel economisch argument aankaarten dat essentieel is in het falsifiëren van de ontwikkelingsdoctrine. Eerst en vooral is het noodzakelijk te wijzen op de universele gebrekkigheid van macro-economische modellering. Ontwikkelingseconomie wordt vandaag gedomineerd door de school van Jeffrey Sachs, één van de voornaamste aanstokers van de millenniumdoelstellingen. Het vertrekpunt van zijn analyse is dat ontwikkelingslanden zich in een armoedeval bevinden. Vertrekkend vanuit een klassieke Keynesiaanse logica, behelst de armoedeval een situatie van uitblijvende binnenlandse investering omwille van een gebrek aan binnenlands spaargeld. Zonder spaargeld kan niet geïnvesteerd worden, waardoor geen jobs ontstaan, geen kapitaal wordt geaccumuleerd en geen spaarboekjes gevuld, zo wordt geargumenteerd. De taak van ontwikkelingshulp is dan, grof geschetst, om het hiaat te vullen tussen binnenlands spaargeld en noodzakelijke investeringen – de zogenaamde investment gap – om een proces van spontane economische groei te activeren. Dit staat bekend als de big push: een klassiek concept in de ontwikkelingseconomie. Het geloof is dat de economie na deze push zelfvoorzienend en accumulerend zal werken.

Onmiddellijk wordt duidelijk dat deze theorie vertrekt vanuit een premisse van onfeilbare gecentraliseerde economische kennis. Ontwikkelingsarchitecten moeten immers niet enkel abstracte economische parameters als investment gap kunnen kwantificeren (wat letterlijk een inzicht vereist in het totale investeringsbudget dat zou leiden tot geëmancipeerde economische groei), ze moeten ook in staat zijn het ontwikkelingsbudget toe te wijzen naar sectoren die een minstens evenwaardige productiviteit genereren als de investeringen die uitgevoerd worden door de bevolking in het ontwikkelingsland. Dat is – excuse my French – waanzin.

 Wat de ontwikkelingsdoctrine nodig heeft is een heroriëntering naar het economische potentieel, de lokale waardenschaal en de oneindige gedecentraliseerde kennis van de honderden miljoenen individuen die ze adresseren. Iedereen die ooit al voet op de rode Afrikaanse aarde heeft gezet, weet dat het continent rijk is aan economische incentives en enorme economische activiteit. Ieder individu dat bijdraagt aan dat proces bezit unieke kennis over zijn mogelijkheden, zijn verlangens en die van zijn onmiddellijke omgeving. Deze kennis is essentieel om tot efficiënte economische beslissingen te komen. Wanneer we aannemen dat economische efficiëntie (een asymptotische utopie) de situatie is waar elke productiefactor wordt ingezet op de plek waar die zijn hoogste marginale nut dient, en we nemen aan dat marginaal nut op een subjectieve manier wordt ingevuld (beide assumpties zijn terecht algemeen aanvaard), dan is het duidelijk dat een allocatiemechanisme van schaarse goederen dat geen rekening houdt met individuele kennis en preferenties per definitie tot suboptimale resultaten zal leiden. Dit is exact waarom de huidige ontwikkelingsdoctrine nooit tot duurzame economische groei kan leiden: ze mist de gedecentraliseerde waardenschaal die economische productiefactoren naar hun hoogste sociale nut leiden.

Untitled.png

Concluderend wil ik onderstrepen dat deze opinie niet ingaat op de gebrekkigheden die aangekaart kunnen worden redenerend vanuit de dominante economische doctrine. Zo zou gewezen kunnen worden op inflatoire effecten van ontwikkelingshulp, distorties van de betalingsbalans of crowding-out effecten ten aanzien van lokale activiteit. Deze kritiek zou echter voorbij gaan aan de essentie: ontwikkelingshulp faalt omdat de academische arrogantie van Westerse “experten” de deur heeft gesloten voor de lokale oneindigheid aan kennis, die werkelijk kan leiden tot duurzame vooruitgang. Daarom mag deze opinie niet gelezen worden als pleidooi voor economische efficiëntie, het is een pleidooi voor menselijkheid en individualiteit, voor een beëindiging van intellectueel post-kolonialisme en voor een activering van de sociale rijkdom die het Afrikaanse continent omvat. Om mijn pleidooi voor intellectuele bescheidenheid te onderstrepen wil ik deze opinie afsluiten met de wijsheid van een ander: “To act on the belief that we possess the knowledge and the power which enable us to shape the processes of society entirely to our liking, knowledge which in fact we do not possess, is likely to make us do much harm,” F.A. Hayek.

 

Dimitri Van den Meerssche

Comment

Comment

Individuele soevereiniteit

Aan de meer extreme kant van het liberale spectrum bevindt zich een filosofie genaamd het voluntarisme, wier kerngedachte inhoudt dat vrije wil steeds een noodzakelijke voorwaarde is voor moreel gedrag; alle initiatie van geweld wordt immoreel geacht. Voluntarisme kan men bijgevolg ook zien als een ideologie die zich uitermate strikt aan het non-agressieprincipe houdt.

In dit artikel bespreek ik een van de meest controversiële gevolgen van deze filosofie, namelijk individuele soevereiniteit: de idee dat een gecentraliseerde overheid zich inherent schuldig maakt aan de initiatie van geweld en zodoende afgeschaft moet worden.

Het impliciete contract

Untitled.png

Wanneer wij ons afvragen hoe onze relatie als burger ten opzichte van de staat tot stand komt, dan kunnen we niet anders dan constateren dat dit impliciet gebeurt: het is altijd zo dat men onder het gezag van een staat valt zodra men een bepaald land betreedt. De overheid claimt in feite elk individu binnen een zekere straal automatisch als haar rechtssubject, en gaat ervan uit dat zij haar wetten aan hen mag opleggen (met alle nodige middelen); in geen enkel land wordt men eerst  gevraagd akkoord te gaan met één of ander contract dat de staat expliciet deze bevoegdheden toekent. Daarenboven vermoed ik dat elke overheid die toch om toestemming zou vragen, een weigering van dit contract zou beantwoorden met onmiddellijke uitwijzing (wat ironisch genoeg opnieuw een impliciet contract ter bevestiging van autoriteit vereist). De allereerste vraag die dus in het hoofd springt, is hoe zo'n overeenkomst gelegitimeerd kan worden als ze ten eerste niet berust op vrijwillige instemming en ten tweede opgelegd wordt met een (figuurlijk?) pistool tegen de slaap. Waarom heeft een staat de facto het recht haar regels op te leggen aan iedereen die zich binnen een zeker gebied begeeft?
Het makkelijkste antwoord is het meest pragmatische: omdat het kan. Een staat beschikt traditioneel over een dermate groot wapenarsenaal dat zij menig burgerprotest plat kan stampen nog voordat het uitgroeit tot een echte bedreiging. Het behoeft geen discussie dat deze vorm van redeneren (een ad baculum in het jargon) niet als geldig wordt aanschouwd in eender welke kring die argumentatie serieus neemt. Daarnaast is dit niet te stoelen op het non-agressieprincipe, aangezien het erop neerkomt dat macht gelijk geeft.

Een eerste echt argument is dat dit een noodzakelijke manier van werken is, omdat anders niemand akkoord zou gaan met het contract en er totale chaos zou heersen in de vorm van constante burgeroorlogen en een puur recht van de sterkste. Aan de basis van deze stelling ligt de aanname dat mensen in toom moeten gehouden worden omdat ze anders veranderen in beesten die elkaar zullen verslinden. Laten we veronderstellen dat dit klopt: zonder een machtige overheid die hen onderdrukt, moorden mensen elkaar uit. Bemerk echter dat de overheid in kwestie eveneens bestaat uit mensen die dus evenzeer vatbaar zijn voor die catastrofale zwakte, zodanig dat een overheid uiteindelijk zowel zichzelf als haar bevolking zou moeten uitroeien (zeker als men in acht neemt dat de overheid de meeste macht in handen heeft). Ik zie slechts twee manieren om dit probleem op te lossen:

  1. Men voert controles uit op de overheid;
  2. Men stelt dat de overheid bestaat uit een elite die altijd beschaafd blijft ongeacht hoeveel macht en hoe weinig controle zij krijgt.

De eerste optie kan nog steeds niet ontsnappen aan het probleem dat deze controle door mensen moet gebeuren, zodanig dat dit op termijn ook ten onder gaat aan corruptie. De controleurs moeten immers in zekere zin meer macht hebben dan de overheid, hetgeen nog een controlemechanisme zou vereisen, en zo verder ad infinitum. Men zou daarop kunnen zeggen dat de controleurs via een soort van checks and balances elkaar in het oog moeten houden en corruptie wederzijds bestrijden. Maar als de mens inherent zo corrupt is, wat houdt er hen dan tegen om via uitgebreide politieke spelletjes en complotten de integriteit van dat systeem alsnog te ondermijnen? Uit onze aanname volgt namelijk dat mensen continu er alles aan zouden doen om de samenleving te destabiliseren, dus op enige goede wil mogen we niet rekenen. De tweede optie alludeert naar Plato's concept van de Ideale Staat, en dat is al zo rigoureus onderuit gehaald dat ik mij er niet mee bezig zal houden.

We kunnen ook beweren dat een staat eigenaar is van de geografische zone waarover zij haar gezag claimt, zodanig dat het impliciete contract verantwoord wordt door pure eigendomsrechten. Dit legitimeert echter niet alles wat een staat over het algemeen doet: de traditionele liberale visie op eigendomsrechten impliceert immers geen monopolie op geweld (een discussie over eigendomsrechten valt buiten het bereik van dit artikel, dus nemen we de courante visie als norm). Als de staat eigenaar zou zijn van de regio die zij claimt, dan zou zij nog steeds geen recht hebben geweld te initiëren tegen anderen die geen fysieke bedreiging vormen. Overheden doen dit echter met de regelmaat van de klok: volkomen onschadelijke personen worden vaak genoeg hardhandig afgestraft zonder echte provocatie (ik ga ter ondersteuning van deze stelling enkel maar zeggen dat men af en toe eens een krant moet lezen of buiten moet komen). Bovendien is de eigendomsclaim van de overheid uitermate dubieus: zij poneert gewoon haar recht op het land, tezamen met haar monopolie op het gebruik van geweld. Normaal gesproken kan eigendom slechts verworven worden op twee manieren: door het goed in kwestie als eerste te exploiteren of door het te krijgen van de vorige eigenaar. Ten eerste zitten we hier met een bewijslast: het is aan de mensen die het recht opeisen om aan te tonen dat zij dit effectief bezitten, en ik zie niet in hoe de overheid dit geloofwaardig kan doen (zij doet hier zelf trouwens geen enkele poging toe). Ten tweede mogen we ons afvragen waarom het opleggen van arbitraire regels over een bepaalde lap grond exclusief het recht van de overheid zou zijn. Wat maakt de staat zo speciaal dat enkel zij haar eigendomsrechten mag uitbreiden met een geweldmonopolie?

We moeten ook de idee in overweging nemen dat de autoriteit van een staat gelegitimeerd wordt door de instemming van de burgers, aangezien dit een populaire opinie is. Dit verwijst uiteraard naar de democratie, en gaat uit van het ideaalbeeld dat men via een democratisch kiesproces tot algemeen aanvaardbare normen komt. Laten we alle praktische aspecten negeren en ervan uitgaan dat wij in een perfecte democratie leven, hoe komen de wetten dan tot stand? Via consensus van de meerderheden die de kiesdrempel gehaald hebben; de meningen van minderheden worden helemaal uitgesloten tenzij een aanzienlijk aantal mensen uit de verkozen meerderheden tegelijk voldoende sympathie én voldoende invloed hebben om met hen rekening te houden. Aan de grondslag van de democratie liggen de aannames dat maatschappijen in staat zijn tot een serieuze consensus te komen én dat een dergelijke mening, die per definitie toebehoort aan de meerderheid, een dwingend karakter heeft voor de gehele bevolking. Met andere woorden: sommige mensen worden verplicht hun leven te gaan leiden volgens de regels van anderen met wie zij het fundamenteel oneens kunnen zijn, zonder mogelijkheid tot klagen (men luistert immers enkel maar naar de klachten van een grote massa), louter omdat hun opinie niet populair genoeg is. Naast het feit dat dit een populistische drogreden is en dus argumentatief gezien geen enkele steek houdt, druist het lijnrecht in tegen één van de pilaren van het liberalisme, namelijk dat mensen eigenaar zijn van hun eigen leven. De democratie vervangt dit principe door het axioma dat de massa eigenaar is van ieders leven.

Merk tot slot ook op dat er dankzij dat fameuze geweldmonopolie principieel niets is wat een staat tegenhoudt te doen wat haar goed dunkt: aan de bevolking is immers geen recht op verdediging zomaar gegund; het bestaat slechts (met veel geluk) bij gratie van de overheid (en meestal dan nog in zeer beperkte mate). Het vormt ook een flagrante schending van het non-agressieprincipe, want in simpele termen komt dit monopolie gewoon neer op de stelling dat de staat geweld mag initiëren wanneer zij dat goed vindt, zonder dat er echte reden voor moet bestaan en zonder dat iemand erover mag klagen (althans, toch niet klagen op een manier die effectief verandering kan teweegbrengen). Door aan "haar" burgers het recht op verdediging te ontzeggen, ontkent de overheid ook onmiddellijk het eerder aangehaalde principe van autonomie, dat stelt dat iedereen eigenaar is van zijn eigen leven.

Zelfs al gunnen wij aan de voorstanders van het huidige systeem dat de overheid nooit (te) corrupt wordt en/of dat zij gelegitimeerd eigenaar is van het land in kwestie, dan nog is haar geweldmonopolie niet te verdedigen op liberale gronden. Het grote pijnpunt is het feit dat het om een monopolie gaat: wij zijn allen verplicht de wetten op te volgen die de staat dicteert, “of anders … !”. Concurrentie is hier niet mogelijk: alle macht is gecentraliseerd en het wordt gezien als een daad van terrorisme om dit juk te proberen afwerpen.

Vrije-marktanarchie

Untitled.png

Een laatste argument dat men zou kunnen aanwenden op dit punt, is of er dan een betere manier is om orde te handhaven. Kan een vredevolle samenleving bereikt worden zonder dat er een gecentraliseerde organisatie met een geweldmonopolie aan het hart ervan zit? Het antwoord dat het voluntarisme hierop geeft, is een zogenaamde vrije-marktanarchie.

Als we aannemen dat geweldmonopolies niet moreel te verantwoorden zijn, komt onmiddellijk het idee van concurrentie naar boven: er zouden dan verschillende "beschermingsagentschappen" kunnen bestaan die elk een bepaald recht op geweld claimen in naam van hun klanten. Cynici zouden nu opmerken dat, in plaats van één enkele centrale instantie het recht te geven het non-agressieprincipe willekeurig te overtreden, we dat nu gegeven hebben aan een hele hoop private bedrijven en zodoende het probleem gewoon vermenigvuldigd hebben. Het verschil zit hem echter in het feit dat een staat niet onderhevig is aan concurrentie, terwijl dit voor de beschermingsagentschappen wel het geval is. Deze organisaties zouden het zich niet kunnen veroorloven te veranderen in dictators over hun klanten, want dan zouden ze helemaal geen klanten meer hebben. De mensen zouden zich noodgedwongen aansluiten bij concurrerende agentschappen (of zelf dergelijke agentschappen oprichten), waardoor de dictators voor een keuze komen te staan: ofwel een oorlog starten, ofwel hun beleid aanpassen. Als ze kiezen voor oorlog hebben ze af te rekenen met alle andere beschermingsagentschappen, vermits die nu een gouden kans in de schoot geworpen krijgen om te bewijzen wat voor integere en betrouwbare dienst ze leveren (het opruimen van gestoorde fanatiekelingen is altijd mooie reclame).

Sommigen zouden problemen hebben met dit systeem op basis van het feit dat men nu gerechtigheid moet kopen. Registratie bij een beschermingsagentschap zou uiteraard geld kosten, en als men de rekeningen niet kan betalen, krijgt men geen service. Wat we hier over het hoofd zien, is dat we bij een centrale overheid eveneens moeten betalen voor de dienst: dat heet dan "belasting", en het is om twee redenen erger dan de kosten voor een beschermingsagentschap. Ten eerste zijn belastingen niet vrijblijvend: wie niet betaalt, wordt niet simpelweg uit de organisatie gezet; men wordt gevangengezet, bestolen, geslagen en geridiculiseerd totdat de machthebbers hun lol hebben gehad. Als we ten tweede de macht van de overheid combineren met het dwingend karakter van haar belastingen, is het niet moeilijk in te zien dat er weinig motivatie is om de belastingen laag te houden. Merk op dat beide problemen zich zelfs niet zouden voordoen als we beschermingsagentschappen hadden: wie niet betaalt, zou eenvoudigweg geen bescherming meer krijgen. Daarenboven zouden de prijzen onderhevig worden aan de marktwerking, zodat ze niet arbitrair de hoogte in kunnen schieten.

Maar wat met mensen die geen agentschap kunnen betalen? Krijgen zij dan geen enkele bescherming tegen overtredingen van hun rechten? Dit zou inderdaad een krachtig tegenargument zijn, ware het niet dat er zo goed als overal ter wereld goede doelen en vzw's bestaan. Is het zo hoog gegrepen om te stellen dat er ook beschermingsagentschappen zouden zijn die hun diensten gratis of in ruil voor niet-geldelijke wederdiensten aanbieden aan bepaalde personen, overwegende dat er al soortgelijke organisaties bestaan voor de bescherming van dieren en het voorzien van onderdak aan daklozen? Dat er zoveel goede doelen bestaan, is volgens mij een sterke aanwijzing dat armen niet aan hun lot zouden worden overgelaten in een vrije-marktanarchie. Welk goed doel zou belangrijker zijn en meer aandacht trekken dan dit? Ik weet dat ik het alleszins zou steunen.

Het belangrijkste bezwaar heb ik tot het laatste gespaard: wat als mensen die aangesloten zijn bij verschillende beschermingsagentschappen met elkaar in conflict komen? Hoe bemiddelen de agentschappen dit dan? De meeste tegenstanders springen tot de conclusie dat dit onmiddellijke guerilla tot gevolg heeft. In zijn boek The Machinery of Freedom behandelt David Friedman dit onderwerp uitvoerig, en ik zou het geenszins volledig recht kunnen aandoen in een artikel van vijf bladzijden. Kort gesteld gaat zijn theorie uit van de heel simpele premisse dat oorlog duur is (natuurlijk niet alleen op financieel vlak), en dat daardoor geen enkel beschermingsagentschap ertoe geneigd zou zijn. In plaats daarvan zou men opteren voor arbitrage, een systeem van particuliere rechtspraak dat al in de praktijk succesvol wordt gehanteerd bij bepaalde geschillen. Hierbij gaan beide beschermingsagentschappen akkoord hun probleem voor te leggen aan een neutrale arbiter, en erkennen ze diens besluit als bindend. Een voor de hand liggende vraag is nu welke autoriteit de agentschappen ertoe dwingt zich te houden aan de uitspraak van zo'n arbiter. Het antwoord grijpt terug op de hele reden achter arbitrage: het feit dat het alternatief een burgeroorlog is, en dat geen enkel beschermingsagentschap dat de marktwerking hoopt te overleven het zich kan veroorloven zo'n extreem conflict aan te wakkeren; ze zouden simpelweg failliet gaan.

Persoonlijke secessie

Ik ga niet de schijn ophouden dat een vrije-marktanarchie een panacee is; beslist niet. Op globaal vlak vormen alle menselijke maatschappijen immers een vrije-marktanarchie: de verschillende staten kan men zien als verschillende beschermingsagentschappen die met elkaar concurreren via de grootte van hun bevolking (i.e. hun klantenbestand) en hun economische welvaart. Het is duidelijk dat dit systeem zijn zwakke punten heeft: oorlog is zeker niet uitgesloten ondanks alle economische en rationele bezwaren, en eerlijke concurrentie (in welke zin van het woord dan ook) is geregeld ver te zoeken. Trekken we de analogie nog verder door, dan is het maar de vraag welke gruwel de tegenhanger zou zijn van een wereldoorlog in een vrije-marktanarchie.

Ik kan nu het klassieke argument aanhalen dat geen enkel systeem perfect is, maar dat is voor mij niet van tel. Persoonlijk hecht ik slechts waarde aan de observatie dat, zelfs met alle zwaktes die eraan inherent zijn, een vrije-marktanarchie goed genoeg kan werken. Het is onvermijdelijk dat in een wereld met zo'n grote bevolking als de onze er probleemgebieden zullen zijn en er nooit totale vrede zal heersen, maar dat is geen fout van het voluntarisme; die fout ligt bij onszelf, en geen enkele filosofie zal daarin ooit verandering brengen. Ik ben bereid ook de slechte gevolgen te aanvaarden van deze ideologie, eenvoudigweg omwille van de vrijheid die ermee gepaard gaat.

Het paradoxale aan vrijheid is dat we de problemen die zij teweegbrengt niet kunnen oplossen door haar in te perken, maar enkel door haar uit te breiden.

 

Jonathan Peck

Comment

Comment

De rol van kapitaal in onze samenleving

Untitled.png

In de meeste hedendaagse economische vraagstukken heeft kapitaal een sleutelrol. Toch wordt kapitaal vaak onduidelijk en onvoldoende gedefinieerd en bestaan er heel wat misverstanden over de rol van kapitaal voor onze welvaart. In deze tekst worden een aantal belangrijke kenmerken van kapitaal toegelicht.

Wat is kapitaal?

Uiteraard moet eerst duidelijk zijn wat begrepen wordt onder kapitaal, voor we verder kunnen. Kapitaal heeft namelijk veel betekenissen, de ene al duidelijker dan de andere. Kapitaal refereert vaak naar de financiële middelen die iemand ter beschikking heeft, m.a.w. vermogen, of zelfs gewoon een grote som geld. Er is ook intellectueel en cultureel kapitaal waarvan de betekenis enorm ruim is en dan ook vaak weinig bruikbaar. In de economische wetenschap is kapitaal echter gedefinieerd als middelen om productie van consumptiemiddelen mogelijk te maken, zonder zelf rechtstreeks voor consumptie in te staan. Het gaat dus over machines, gebruiksmiddelen, half afgewerkte producten enz. In een moderne complexe economie worden bijna alle consumptiegoederen geproduceerd met de hulp van kapitaal. Het zijn enkel die middelen waarvoor uitsluitend originele natuurlijke middelen en arbeid bij de productie gebruikt worden, waarvoor geen kapitaal gebruikt wordt. Voorbeelden zijn gering, zelfs een primitieve jager-verzamelaar gebruikt kapitaalgoederen om zijn voedsel te verkrijgen: een speer bijvoorbeeld, of een zak om zijn geplukte bessen naar zijn familie terug te brengen.

Een belangrijk aspect van kapitaal is dat het heterogeen is en moet onderhouden worden. Niet ieder stuk kapitaal kan door een ander vervangen worden, integendeel, sommige machines zijn bijvoorbeeld erg specifiek en kunnen maar in één productieproces ingezet worden. Als er dus verkeerdelijk geïnvesteerd is in een kapitaalgoed, kan dat niet zomaar voor een ander productieproces ingezet worden…

Technologie en kapitaal als bouwstenen voor welvaart

Hoe komt het dat de menselijke populatie in de laatste 300 jaar zo explosief kon groeien en tegelijkertijd telkens onder beter omstandigheden kon leven? Naast een culturele liberale omwenteling speelde technologie en kapitaalaccumulatie hierin een enorme rol. De culture revolutie (zie hiervoor Bourgeois Dignity – Deidre McCloskey) maakte zowel innovatie als kapitaalaccumulatie mogelijk door een positiever aanzien van ondernemers, handelaars en kapitalisten. Het mag duidelijk zijn dat innovatie uiteraard zorgt voor meer mogelijkheden en een uitzicht op grotere welvaart. Technologie is echter niet voldoende. Stel je voor dat Robinson Crusoe, een wetenschapper die de technologische sleutel heeft tot oneindige welvaart, alleen en zonder middelen op een onbewoond eiland belandt. Robinson zal zich uiteraard moeten behelpen, en zal noch de tijd, noch de middelen hebben om zijn innovatie in de praktijk om te zetten. Hij zal zelfs de tijd niet hebben om gewassen te planten of vee te kweken, want hij zal bijna al zijn energie moeten spenderen aan het vinden van eten om de dag door te komen. Hij kan zijn technologie pas in de praktijk omzetten als hij productief genoeg is en dus voldoende kapitaal ter beschikking heeft om zich aan zijn innovatie te wijden. Hetzelfde geldt uiteraard voor de wijdere samenleving. Kapitaalaccumulatie is noodzakelijk om innovatie in de praktijk om te zetten en tot op de dag van vandaag staan de wetenschappelijke mogelijkheden een stuk verder dan de economische. De technologie voor het opwekken van energie uit hernieuwbare bronnen mag dan al ver genoeg staan om aan de wereldwijde energievraag te voldoen, dat betekent nog niet dat het economisch mogelijk is, laat staan wenselijk. Met talrijke voorbeelden als deze worden we dagdagelijks geconfronteerd.

Kapitaal, tijd en interest

Laat ons terugkeren naar Robinson Crusoe. Robinson heeft in het begin van zijn overlevingsstrijd op het onbewoond eiland geen middelen ter beschikking en moet zich behelpen met het vangen van vissen. Stel dat hij dagelijks twee vissen kan vangen en onmiddellijk opeet om te overleven: alles wat hij ‘produceert’, consumeert hij onmiddellijk. Hij werkt letterlijk om te overleven zonder enige marge. Om zijn visvangst te verbeteren wil hij een net gebruiken. Hij denkt een volle dag nodig te hebben om het net te maken. Het zou onverstandig zijn om zomaar een dag niets te eten om aan het net te werken, dat zou zijn verzwakte lichaam niet aankunnen. Hij denkt drie dagen lang slechts anderhalve vis te eten, waarna hij op de vierde dag genoeg gespaard (S) heeft om een dag niet te eten. Op dat moment investeert (I) hij zijn gespaarde vis om het net te maken: S = I. Het net is het resultaat van de investeringen en kan niet rechtstreeks geconsumeerd worden, maar kan gebruikt worden om consumptiegoederen (vis) te maken, het net is een kapitaalgoed. Merk hier de factor tijd: om méér te kunnen produceren moet eerst een langere weg afgelegd worden om het kapitaal te produceren. Het net laat hem toe 3 vissen per dag te vangen in plaats van 2. Voldoende om niet iedere dag vis te vangen, maar in plaats daarvan te sparen en te investeren wanneer nodig.

Hieruit volgt een belangrijke les: kapitaal kan pas geaccumuleerd worden als er meer gespaarde middelen beschikbaar zijn dan nodig om de huidige kapitaalstructuur te onderhouden door herinvesteringen. Als er meer gespaard wordt dan het evenwichtsniveau doet men aan kapitaalaccumulatie, als er minder gespaard wordt, treedt kapitaalconsumptie op. In dat laatste geval worden middelen die nodig zijn om kapitaal te onderhouden geconsumeerd waardoor het kapitaal uiteindelijk verloren gaat. Stel bijvoorbeeld dat een landbouwer 10% van zijn graan ieder jaar aan de kant legt om het volgende jaar te zaaien voor een nieuwe oogst. Als de landbouwer in de plaats beslist van alle graan te consumeren zal er het jaar nadien geen graan meer zijn om te zaaien, het kapitaal, hier dus het zaad, werd geconsumeerd en de bestaande productie kon niet worden voortgezet.

De eerste die tijd identificeerde als de cruciale factor in het productieproces was Oostenrijkse econoom Eugen Böhm-Bawerk. Tot dan was de algemene aanname dat de inkomsten uit de drie productiefactoren land (natuur), arbeid en kapitaal respectievelijk huur, loon en interest waren. Kapitaal is echter geen onafhankelijke productiefactor merkte Böhm-Bawerk op, kapitaal wordt eveneens geproduceerd uit de primaire factoren arbeid en land. De productie van kapitaal genereert dus inkomsten voor de primaire factoren, maar vaak is er een marge tussen de productiekost van kapitaal en de toegevoegde waarde dat het kapitaalgoed genereert. De reden voor deze marge is dat een kapitaalgoed pas kan geproduceerd worden als er eerst gespaard werd. Sparen is echter niet gratis, aangezien iedereen algemeen ongeduldig is: als potentiële investeerders hun middelen steeds ter beschikking kunnen hebben om te consumeren, waarom zouden ze die dan investeren om kapitaal te creëren als ze er niets mee winnen? Uiteraard doen investeerders dat niet, ze eisen een vergoeding voor hun wachttijd en die vergoeding is interest. Interest is dus de prijs voor tijd en regelt de vraag en het aanbod van investeerbare middelen, een vrij gevormde interest (zonder invloed van centrale banken).

Kapitaal als middel van uitbuiting

Interest is van oudsher een sterk gecontesteerde vorm van inkomsten omdat zogenaamd geen inspanningen van de kapitalist nodig zijn om interest te verkrijgen. Karl Marx noemde de inkomsten van de kapitalisten de ‘meerwaarde’ van de arbeid. Kapitalisten kunnen dus onterecht een gedeelte van de vruchten van de arbeiders ‘stelen’ en gebruiken aldus hun machtpositie om de arbeidersklasse uit te buiten.

Böhm-Bawerk toonde in zijn monumentale werk echter aan dat interest niet alleen een economische functie heeft, maar ook tot stand komt omdat kapitalisten een belangrijke dienst verzorgen waarvan werknemers de vruchten plukken. De kapitalist staat namelijk in voor, ten eerste, het voorschieten van middelen en ten tweede, het risico van de onderneming. Arbeiders moeten niet wachten op hun loon tot de toegevoegde waarde van hun arbeid effectief tot inkomsten leidt en als er iets mis loopt moeten ze hun loon niet terug betalen. Om dit beter te plaatsen kunnen we bijvoorbeeld iets naderbij kijken naar de farmaceutische industrie. Voor veel medicijnen neemt de ontwikkeling jaren in beslag. Miljoenen euro’s moeten worden geïnvesteerd om het onderzoek voort te zetten. Die middelen gaan niet alleen naar machines en chemische middelen, maar ook naar de werknemers. De kapitalisten verdienen dan wel een interest op hun investering als het medicijn succesvol op de markt wordt gebracht, maar de werknemers moesten zich niet aantrekken van het tijdselement van de investering, noch van het risico. Als we interest wegdenken uit het economische systeem, dan kan deze, voor alle partijen voordelige situatie niet meer optreden.

Conclusie

In dit kort essay werd een overzicht gegeven van een aantal belangrijke kenmerken van kapitaal. Een goed begrip van de functie van kapitaal vormt de sleutel tot het beantwoorden van een aantal belangrijke maatschappelijke vragen, zoals welke inkomsten verantwoord en rechtvaardig zijn en hoe welvaart tot stand komt. Kapitaalaccumulatie is een bouwsteen van onze welvaart en interest is de vergoeding voor investeringen die de welvaartsgroei mogelijk maken. Kapitaal en interest vormen ook de basis voor (onder andere) de Oostenrijkse conjunctuurtheorie. Conjunctuurtheorie verdient een aparte behandeling, maar het kan hier alvast gezegd worden dat interest een prijs is en prijsverstoringen altijd tot onevenwichten leiden. De rol van kapitaal is in een complexe economie dermate groot dat het verstoren van de interest enorme gevolgen heeft. We gaan er dan ook beter erg voorzichtig mee om.

 

Thomas Vergote

Comment