Stijn D’Hondt schreef in de vorige editie van dit blad een artikel waarin hij argumenteert waarom hij ‘een staatloze samenleving onwenselijk zou vinden’ en hij,  ‘per consequentie, enige vorm van overheid noodzakelijk vindt’.  Hoewel hij een aantal interessante en belangrijke argumenten opwerpt, is die conclusie niet helemaal waterdicht.

 

De menselijke natuur 

Untitled4.png

Net als in zijn stuk in de laatste Neohumanisme van vorig academiejaar, wijst Stijn op aspecten van wat hij dan ‘de menselijke natuur noemt’, waarin we een aantal uitgangspunten kunnen vinden voor wat hij dan de noodzakelijkheid van een staat noemt. Hij gebruikt hierbij het voorbeeld van de Amerikaanse gezondheidszorg en het probleem van de grote groep onverzekerden: “De logica van de mens beperkt zich meer dan eens tot het heden, zonder de gevolgen in de toekomst in te schatten, laat staan er rekening mee te houden.” Verder stelt hij: “Had diezelfde burger namelijk in de tijd kunnen terugkeren, had hij allicht geen twee keer moeten nadenken om een verzekering te nemen.”

Deze stelling, namelijk dat mensen vaak enkel op de korte termijn denken, de toekomst niet of slecht inschatten, de lange termijn dus volledig of grotendeels buiten beschouwing laten en bijkomstig vaak fouten maken, lijkt me een zeer goede benadering van hoe beperkt mensen zijn (voor een uitgebreidere behandeling van de beperktheid van mensen en hoe we de mens dus moeten benaderen in theorievorming, verwijs ik naar de tekst die ik voor de vorige editie van Neohumanisme had geschreven).

Daarnaast vermeldt Stijn nog aspecten van de menselijke natuur, namelijk: “mensen zullen steeds in hun eigenbelang macht willen verwerven, en daarbij het algemeen belang terzijde schuiven.” Hieruit volgt dan, volgens hem, dat, “net omdat de mens inherent op zoek is naar macht, er altijd wel een overheersende speler op het toneel zal verschijnen, die een geweldsmonopolie weet te verwerven.”

Hij stelt zich ook de vraag of er ooit een mogelijkheid is voor een heuse paradigmashift, die nodig is om van het huidige statelijke structuren over te gaan naar niet-statelijke instituties en organisaties: “Daarnaast acht ik de kans klein dat we ooit in een anarchistische samenleving terechtkomen: er is simpelweg geen publiek draagvlak voor. Evenmin denk ik dat dat draagvlak er ooit komt, gelet op de menselijke natuur van onverschilligheid en een drang naar zekerheid.” Mensen streven naar zekerheid en, zo stelt Stijn het voor, een anarchistische samenleving zou er één zijn die gekenmerkt wordt door méér onzekerheid.

 

Mensen maken fouten, so what? 

Ik sluit me aan bij de stelling dat mensen fouten maken. De vraag die we ons moeten stellen is, hoe moeten we met die beperkte mensen omgaan. Hoe kunnen we ervoor zorgen dat de fouten die mensen maken, zo goed mogelijk opgelost kunnen worden, of zo weinig mogelijk systemische problemen of risico’s opleveren. Als mensen (bijna) altijd op de korte termijn denken, de lange-termijn risico’s onvoldoende of slecht kunnen inschatten, hoe zorgen we er dan voor dat de fouten die ze maken op basis van de beperkte kennis die ze hanteren en de beperkte doelen die ze nastreven (namelijk enkel die op de korte, maar niet die op lange termijn), toch geen enorme problemen opleveren voor een hele samenleving, of zelfs de hele wereld.

Dit is, in feite, een restatement van de vragen die N. Taleb probeert te beantwoorden, namelijk, welke systemen zijn fragiel en welke zijn anti-fragiel. Of, hoe kunnen we ervoor zorgen dat als iemand een fout maakt, zich vergist over wat de ‘juiste’ actie is om te ondernemen, er niet voor zorgt dat een volledig systeem instort, of een probleem in één sfeer van het handelen, niet alle sferen van het handelen in gedrang brengt.

Economen wijzen er dan op dat marktwerking een mechanisme heeft dat de fouten die mensen maken (als consument, producent, werknemer en/of werkgever) beoordeelt en dus ook probeert op te lossen, namelijk winst en verlies. Wanneer iemand in het marktproces een vergissing begaat, kunnen we dankzij de maatstaf van winst en verlies opmaken wat die fout was (hoewel dat niet altijd zo gemakkelijk is, kunnen we door de quasi continue iteratie van het marktproces achterhalen wat de precieze fout was) en proberen daar een verandering aan te brengen om die fout niet opnieuw te maken. Dit betekent dat het marktproces, omdat participanten winst of verlies kunnen maken, een incentive geeft om te leren. Het marktproces is in die zin dus ook een verderschrijdend leerproces.

Enorm belangrijk hier is dat we een verderschrijdend proces hebben, waarbij beslissingen gemaakt worden door een enorme veelheid aan participanten, waardoor er tegelijkertijd enorm veel acties ondernomen worden en er dus ook enorm veel gebeurtenissen zijn waaruit we kunnen leren. Enkel wanneer een significant deel van de beslissingen die gemaakt worden (en dus economische acties ondernomen worden) in het marktproces, fout blijken te zijn, verwachten we dus systeem-risico’s. Jij en ik die een foute inschatting maken, hebben een minieme invloed op het marktproces, wanneer we echter een enorme golf zien van slechte beslissingen (denk bijvoorbeeld aan slechte investeringen die deel uitmaken van een boom-bust cycle) spreken we van systeem-risico’s. In die zin kunnen we ‘de’ economie zien als een anti-fragiel systeem: niet alleen zorgen de incentives van het marktproces ervoor dat enkel een manipulatie van het prijsmechanisme (dat ons de maatstaf van winst en verlies geeft) een systeem-risico oplevert, het kan ontzettend goed omgaan met het realistische probleem van de neiging tot fouten maken dat waarschijnlijk effectief deel uitmaakt van de menselijke natuur.

Dit gaat niet op wanneer we spreken over overheden: het gebrek aan een deftig alternatief feedback-mechanisme zoals het prijsmechanisme en dus ook een gebrek aan de maatstaf van winst en verlies, zorgt ervoor dat we enkel een zeer rudimentair leerproces hebben. Wanneer Stijn dus stelt dat, bijvoorbeeld, een goed systeem van eigendomsrecht en contractrecht, dat evolueerde uit de interactie tussen mensen, en niet door de interventie van een overheid, “op termijn allicht tot een bevredigende oplossing zou kunnen komen”, draait hij het argument om. Op één of andere manier hebben overheden meer kennis tot hun beschikking, denken zij wel op de lange termijn, zou er een beter mechanisme zijn dat leren ondersteunt of in de hand werkt en/of kunnen zij wél in het algemeen belang werken. Dit in tegenstelling tot wat hij stelt wat de ‘menselijke natuur’ zou zijn. Wanneer mensen dus als mensen handelen, zijn ze enorm beperkt, mensen die als ‘beleidsmaker’ ageren, zouden minder of geen fouten maken.

 

Een Verlichte klasse?

Stijn beweert dus dat overheden een sneller en/of beter antwoord kunnen formuleren op bepaalde problemen. Zo zouden ze transactiekosten kunnen verlagen op een manier die ‘loutere’ marktwerking niet zou kunnen. Een argument hiervoor blijft echter uit, wat is dan de specifieke reden dat beleidsmakers minder fouten zouden maken? Waar halen ze meer kennis dan de kennis die gegenereerd en gebruikt wordt in het marktproces? Waarom zouden beleidsmakers wél op de lange termijn kunnen denken en ageren (ook al beweren politieke wetenschappers en economen het omgekeerde, namelijk dat de incentives van het politieke proces leiden tot een zeer extreem korte-termijn denken)?

Belangrijker nog, waarom zouden de mensen die participeren in het politieke proces (of de politieke elite), opeens boven de menselijke neiging van het streven naar meer macht en eigenbelang staan? Tenzij we ervan zouden uitgaan dat politieke elites één of andere Verlichte klasse zouden zijn, die boven de menselijke natuur staan, lijkt me dat argument moeilijk te maken.

De overheid lijdt aan belangrijke problemen die haar nog gevoeliger maken voor fouten en systeem-risico’s. Niet enkel is de overheid een enorme vermindering van beslissingscentra ten opzichte van de marktwerking, de kennis die ze tot haar beschikking zou hebben is van noodzakelijkerwijze kleiner en van beduidend slechtere kwaliteit (cf. het kennisargument van F.A. Hayek). Wanneer we niet, zoals in het marktproces, iedereen beslissingen laten maken en een maatstaf aanreiken om fouten te proberen verzachten of op te lossen, maar één beslissing voor een bepaald territorium laten gelden, waarbij die beslissing op een zeer beperkte kennis gefundeerd is, wat gebeurt er dan als die beslissing fout is? In plaats van een probleem voor enkel de marktparticipant, zien we dan een fout die noodzakelijkerwijze haar weerslag heeft op alle burgers, zo niet een nog grotere groep mensen (denk bijvoorbeeld aan de implosie van de Amerikaanse huizenmarkt, die haar globale effecten nog altijd laat voelen). De fouten die beleidsmakers maken, hebben niet enkel de neiging om omvangrijker te zijn, ze kunnen ook het hele ‘systeem’ of de hele samenleving in gedrang brengen. In die zin is een overheidssysteem er één dat gekenmerkt wordt door fragiliteit, waarbij vergissingen of fouten enorme gevolgen kunnen hebben (dit betekent niet dat vergissingen of fouten in het marktproces géén enorme gevolgen kunnen hebben, enkel dat de probabiliteit daarvan, ceteris paribus, veel kleiner is). 

In het licht van deze vergelijking, kunnen we ook dieper ingaan op de stelling van Stijn over onzekerheid als deel van de menselijke natuur. Hoewel niemand zou beweren dat het afschaffen van de staat, de gewelds-monopolist over een bepaald territorium, géén paradigmashift zou zijn, kunnen we ook niet handhaven dat dit een toename in onzekerheid met zich mee hoeft te brengen (noodzakelijkerwijze). Als we, zoals ik hier probeer duidelijk te maken, uitgaan van de aspecten van de menselijke natuur die Stijn formuleerde, met een bijzondere focus op de menselijke neiging tot fouten maken én een analyse maken van de overheid als zijnde een systeem dat leidt aan meer systeem-risico’s dan vrijwillige interactie, kunnen we dan echt stellen dat een overheidssysteem leidt tot meer zekerheid en een staatloze samenleving leidt tot meer onzekerheid?

 

Noodzakelijk kwaad?

Voor veel liberalen geldt dat ze de staat als een noodzakelijk kwaad beschouwen. Stijn geeft hier ook een specifiek argument voor: “Ik denk wel degelijk dat het verlangen naar macht een intrinsiek menselijk concept is, en dat bewegingen richting centralisatie van de macht nooit een loutere optelsom zijn van toevalligheden. Ik vrees dat we bijgevolg te maken hebben met een noodzakelijk kwaad: net omdat de mens inherent op zoek is naar de macht, zal er altijd wel een overheersende speler op het toneel verschijnen, die een geweldsmonopolie weet te verwerven.” Of nog concreter, “zou je slechts kunnen spreken van een theoretische en slechts tijdelijke scheidingslijn tussen een monarchie en een anarchie. In werkelijkheid zullen staten in een mum van tijd weer werkelijkheid zijn.”

Het mag duidelijk zijn dat ik het argument van Stijn niet volg wanneer hij stelt dat de overheid ‘noodzakelijk’ is. Ik probeerde in die zin in deze (en voorgaande) tekst te argumenteren waarom er een vergissing wordt gemaakt wanneer mensen stellen dat overheden bepaalde problemen of uitdagingen beter aan zouden kunnen gaan dan andere systemen. Verder durf ik stellen dat wat hij de ‘noodzakelijkheid’ van de staat noemt, eerder neerkomt op de ‘onafwendbaarheid’ van de staat. Dat een anarchische samenleving zou evolueren naar een waarin er wél een staat is, maakt de staat onafwendbaar, niet noodzakelijk. Ook met deze stelling heb ik problemen: ook dit gaat in op de fragiliteit en anti-fragiliteit van een samenleving. Niet elke staat is even fragiel als de andere, niet elke samenleving gebaseerd op vrijwillige interactie is even anti-fragiel als de andere. Ik zou echter wel stellen dat, ceteris paribus, een systeem dat méér anti-fragiel is dan een ander, minder snel of waarschijnlijk zal evolueren dan een ander. Met andere woorden, tenzij er goede argumenten zijn waarom een anarchische samenleving fragieler zou zijn dan een statelijke samenleving, lijkt die evolutie minder, niet meer, plausibel.

 

Maarten Wegge

Comment