Untitled.png

Het zijn spannende tijden in de wereld van de ontwikkelingssamenwerking. Op talrijke fora wordt druk onderhandeld over de inhoud en richting van de post-2015 millenniumdoelstellingen. Deze onderhandeling (of liever, heronderhandeling) zal ongetwijfeld een nieuw tijdperk van politieke goodwill en cijferfetisjisme inluiden. Economen en ontwikkelingsiconen in de voetsporen van Jeffrey Sachs en Bono hebben het jammerlijke geloof gevoed dat ontwikkeling bedacht kan worden en uitgeschreven in een marmeren conferentieruimte in de stratosfeer van New York City. Die logica is zo oud als de ontwikkelingsmachine zelf. Al in 1949 speechte Amerikaanse president Truman dat “humanity possesses the knowledge and the skill to relieve the suffering of these [poor] people.” Dat onderliggende geloof in wetenschappelijke kennis is nog steeds dominant in de ontwikkelingsdoctrine. Daarom spreken we over ontwikkelingshulp in termen van een morele plicht, of een doctrine van rechtvaardigheid. Het is logisch dat een doctrine die vertrekt van de capaciteit om duurzame groei te bedenken, het ontbreken van die groei slechts kan wijten aan slechte wil of gebrekkige financiering. Bono vat dit geloof mooi samen: “we have the cash, we have the drugs, we have the science -- but do we have the will?”

Het is echter van cruciaal belang om de gebrekkigheid aan te kaarten van gecentraliseerde en wetenschappelijke kennis in een proces van economische of sociale ontwikkeling. In deze opinie wil ik een conceptueel economisch argument aankaarten dat essentieel is in het falsifiëren van de ontwikkelingsdoctrine. Eerst en vooral is het noodzakelijk te wijzen op de universele gebrekkigheid van macro-economische modellering. Ontwikkelingseconomie wordt vandaag gedomineerd door de school van Jeffrey Sachs, één van de voornaamste aanstokers van de millenniumdoelstellingen. Het vertrekpunt van zijn analyse is dat ontwikkelingslanden zich in een armoedeval bevinden. Vertrekkend vanuit een klassieke Keynesiaanse logica, behelst de armoedeval een situatie van uitblijvende binnenlandse investering omwille van een gebrek aan binnenlands spaargeld. Zonder spaargeld kan niet geïnvesteerd worden, waardoor geen jobs ontstaan, geen kapitaal wordt geaccumuleerd en geen spaarboekjes gevuld, zo wordt geargumenteerd. De taak van ontwikkelingshulp is dan, grof geschetst, om het hiaat te vullen tussen binnenlands spaargeld en noodzakelijke investeringen – de zogenaamde investment gap – om een proces van spontane economische groei te activeren. Dit staat bekend als de big push: een klassiek concept in de ontwikkelingseconomie. Het geloof is dat de economie na deze push zelfvoorzienend en accumulerend zal werken.

Onmiddellijk wordt duidelijk dat deze theorie vertrekt vanuit een premisse van onfeilbare gecentraliseerde economische kennis. Ontwikkelingsarchitecten moeten immers niet enkel abstracte economische parameters als investment gap kunnen kwantificeren (wat letterlijk een inzicht vereist in het totale investeringsbudget dat zou leiden tot geëmancipeerde economische groei), ze moeten ook in staat zijn het ontwikkelingsbudget toe te wijzen naar sectoren die een minstens evenwaardige productiviteit genereren als de investeringen die uitgevoerd worden door de bevolking in het ontwikkelingsland. Dat is – excuse my French – waanzin.

 Wat de ontwikkelingsdoctrine nodig heeft is een heroriëntering naar het economische potentieel, de lokale waardenschaal en de oneindige gedecentraliseerde kennis van de honderden miljoenen individuen die ze adresseren. Iedereen die ooit al voet op de rode Afrikaanse aarde heeft gezet, weet dat het continent rijk is aan economische incentives en enorme economische activiteit. Ieder individu dat bijdraagt aan dat proces bezit unieke kennis over zijn mogelijkheden, zijn verlangens en die van zijn onmiddellijke omgeving. Deze kennis is essentieel om tot efficiënte economische beslissingen te komen. Wanneer we aannemen dat economische efficiëntie (een asymptotische utopie) de situatie is waar elke productiefactor wordt ingezet op de plek waar die zijn hoogste marginale nut dient, en we nemen aan dat marginaal nut op een subjectieve manier wordt ingevuld (beide assumpties zijn terecht algemeen aanvaard), dan is het duidelijk dat een allocatiemechanisme van schaarse goederen dat geen rekening houdt met individuele kennis en preferenties per definitie tot suboptimale resultaten zal leiden. Dit is exact waarom de huidige ontwikkelingsdoctrine nooit tot duurzame economische groei kan leiden: ze mist de gedecentraliseerde waardenschaal die economische productiefactoren naar hun hoogste sociale nut leiden.

Untitled.png

Concluderend wil ik onderstrepen dat deze opinie niet ingaat op de gebrekkigheden die aangekaart kunnen worden redenerend vanuit de dominante economische doctrine. Zo zou gewezen kunnen worden op inflatoire effecten van ontwikkelingshulp, distorties van de betalingsbalans of crowding-out effecten ten aanzien van lokale activiteit. Deze kritiek zou echter voorbij gaan aan de essentie: ontwikkelingshulp faalt omdat de academische arrogantie van Westerse “experten” de deur heeft gesloten voor de lokale oneindigheid aan kennis, die werkelijk kan leiden tot duurzame vooruitgang. Daarom mag deze opinie niet gelezen worden als pleidooi voor economische efficiëntie, het is een pleidooi voor menselijkheid en individualiteit, voor een beëindiging van intellectueel post-kolonialisme en voor een activering van de sociale rijkdom die het Afrikaanse continent omvat. Om mijn pleidooi voor intellectuele bescheidenheid te onderstrepen wil ik deze opinie afsluiten met de wijsheid van een ander: “To act on the belief that we possess the knowledge and the power which enable us to shape the processes of society entirely to our liking, knowledge which in fact we do not possess, is likely to make us do much harm,” F.A. Hayek.

 

Dimitri Van den Meerssche

Comment