De hedendaagse Westerse wereld leeft in een gemengde markteconomie. Het grootste deel van de politieke leiders zal inderdaad niet ontkennen dat de markt een gezonde basis is om een economie op te baseren. Maar volgens hen is de markt op zichzelf niet voldoende. Als we de burgers aan hun lot overlaten in een jungle van genadeloos en ongebreideld kapitalisme, klinkt het, zal het sociale aspect van de samenleving onverbiddelijk weggevaagd worden. Daarom moet de overheid tussenkomen. Om de zwaksten te beschermen. Om uitbuiting een halt toe te roepen. Kortom: om het kapitalisme een menselijk gezicht te geven.

Maar is dat echt nodig? Is het echt zo dat de sociale relaties tussen mensen in een vrije markt noodzakelijkerwijze afbrokkelen?

De markt en moraliteit

Untitled.png

Iedereen kent het klassieke argument voor de markteconomie, ontwikkeld door de Schotse filosoof Adam Smith. Individuen die optreden in de markt voor hun weloverwogen eigenbelang, dienen onrechtstreeks – en meestal onbedoeld – de belangen van ontelbare anderen rondom hen. In een markteconomie biedt dit individu namelijk goederen of diensten aan waar anderen naar verlangen. Het is daarom dat zelfs de meest onaangename, hebzuchtige persoon een productief lid van de samenleving kan worden: de enige manier om zich te verrijken is door meerwaarde te creëren voor de mensen rondom hem.

Het diepgewortelde wantrouwen jegens de vrije markt spruit voort uit die vaststelling. De positieve incentivestructuur wordt overschaduwd door het visioen van een kille, vijandige samenleving, waar mensen enkel uit zijn op geld in een mallemolen van hebzucht en onverschilligheid. De markt breekt dus diepgaande sociale relaties af, waarbij mensen niet meer “goed” handelen omwille van de morele waarde van die handeling, maar omdat het hen persoonlijk voordeel oplevert.

Vele mensen uiten om die reden morele bezwaren tegen de ongehinderde vrije markt. Dat ligt aan de opvatting over moraliteit die sceptici erop nahouden. Goed handelen kan volgens velen enkel echt waardevol zijn als men dit doet uit een plichtsbesef van wat het goede is. Wanneer identiek dezelfde handeling zou voorgeschreven worden, niet door plichtsbesef, maar door de voordelige uitkomst van diegene die handelt, verliest die handeling een groot deel van haar waarde. Ze is als het ware besmeurd met het stinkende slijm van het egoïsme en bijgevolg waardeloos.

Twee opvattingen over moraliteit

Hoe moeten we omgaan met deze kritiek van marktsceptici? Onder andere de Amerikaanse econoom Dwight. R. Lee maakt, opnieuw op basis van Adam Smith, een waardevol onderscheid tussen “mundane” en “magnanimous” morality, dat we hier ietwat onnauwkeurig zullen vertalen als “alledaagse” en “groothartige” moraliteit.

Wanneer sceptici het hebben over het gebrek aan moraliteit van de vrije markt, hebben zij het over het gebrek aan die laatste. Groothartige moraliteit wordt volgens Lee gekenmerkt door de doelbewustheid van de handeling, de persoonlijke opoffering die ermee gepaard gaat, en de duidelijk aan te wijzen begunstigden van die handeling. Een handeling is op deze manier enkel moreel wanneer iemand ze met doelbewust opzet onderneemt. Daarnaast moet ze ook gepaard gaan met een opoffering; de grootte van het offer weegt niet zelden zelfs meer door dan het opgeleverde voordeel voor de begunstigde. Onze opvattingen over moraliteit zijn doordrongen met dit beeld. Het is volledig uit den boze om zelf voordeel of winst te halen uit je handelen. Het wordt duidelijk dat moreel handelen hier net zoals de economie volgens velen een ‘zero-sum game’ is; als één iemand zich verrijkt, is dit enkel mogelijk ten koste van een ander. Daarom uiten we massaal bewondering voor de goede ziel die zijn leven spendeert aan het verzorgen van armen, maar hebben velen enkel giftige woorden voor de ondernemer die zichzelf verrijkt – terwijl hij nochtans honderden, vaak zelfs duizenden mensen een weg uit de armoede biedt.

Maar er bestaat dus ook een andere vorm van moraliteit. Deze alledaagse moraliteit is het spiegelbeeld van het voorgaande, en wordt negatief ingevuld. Klassieke liberale grondregels zoals het non-agressieprincipe en respect voor eigendomsrechten vallen hieronder. Adam Smith omschrijft dit als ‘mere justice’. Aan deze voorschriften van ‘mere justice’ wordt volgens Smith dus eigenlijk al voldaan wanneer je “gewoon stilzit en absoluut niets doet”.

De eerste vorm van moraliteit geniet duidelijk een veel groter aanzien in de ogen van vele mensen. Dat is ook de reden waarom zoveel mensen geneigd zijn overheidsinterventie te zien als oplossing van ongewenste uitkomsten van de markt. Politici doen buitengewoon veel moeite om kiezers ervan te overtuigen dat zij handelen binnen een kader van groothartige moraliteit. De overheid neemt namelijk zeer doelbewust maatregelen zogezegd ten voordele van aanwijsbare begunstigden, zoals werklozen. Dat is een verleidelijke manier om een zeer verraderlijk beeld te scheppen van overheidsinterventie. Kiezers voelen zich aangetrokken tot dergelijke interventies omdat zij dan het gevoel krijgen dat zij een deel van hun eigen welzijn (in de vorm van belastingen) opofferen ten gunste van hulpbehoevenden.

Twee werelden

De vrije markt wordt dus afgerekend op het gebrek aan grootmoedigheid. De wereld zou een plek moeten zijn waar mensen geven om elkaar in plaats van een ijzige vlakte van onverschilligheid. Dat laatste is zeker en vast waar, maar de grote vraag is of de marktwerking dit ideaal wel in de weg staat, of het juist mogelijk maakt dit ideaal na te streven.

Het is belangrijk in te zien dat beide vormen van moraliteit hun eigen werkingssfeer hebben – en dus ook hun eigen beperkingen. In de intiemere kringen van het individu, zoals vrienden en familie, wordt verwacht dat we niet gewoon handelen uit puur eigenbelang. De ‘mere justice’ van Smith is hier niet voldoende. Onze interactie met mensen uit deze intieme kring is gebaseerd op wederkerigheid en vertrouwen. Dat hoeft ook niet te verbazen: door onze langetermijnrelaties met deze mensen kunnen we het ons veroorloven om het persoonlijk voordeel van een bepaalde handeling uit te stellen naar een ander moment in de toekomst.

Anderzijds hebben we voortdurend lossere, meer vrijblijvende contacten met mensen die zich in niet in onze intieme levenssfeer bevinden. De verkoper in de winkel, de taxichauffeur en de kok in het restaurant zijn mensen waarmee we vaak slechts eenmalig en kortstondig mee interageren. Met vele tienduizenden mensen hebben we zelfs maar heel indirecte relaties. Onze omgang met deze mensen is dus logischerwijze fundamenteel verschillend van die met mensen die we persoonlijk kennen.

Hoe verzoenen we nu deze twee soorten relaties? En welke moraliteit moeten of kunnen we erop toepassen? Het wordt duidelijk dat we de zware verplichtingen van groothartige moraliteit niet kunnen toepassen op onze uitgebreide levenssfeer.

Untitled.png

Ten eerste is het aantal mensen waar we oprecht en diep om kunnen geven noodzakelijkerwijze zeer beperkt in vergelijking met het aantal mensen waar we indirect maar productief mee interageren. Het is niet alleen onmogelijk om op deze manier te geven om volstrekte vreemden aan de andere kant van de wereld, het zou ook al onze intieme relaties uithollen en doen instorten. De kosten (in de brede zin) die gepaard gaan met dergelijke intieme relaties laten immers slechts een beperkt aantal ervan toe. Wanneer we onze beperkte tijd en energie zouden moeten spenderen aan het cultiveren van duizenden intieme relaties, zouden we daar grandioos in falen.

Ten tweede steekt ook hier het alom gekende kennisprobleem de kop op. Zelfs al zouden onze harten overlopen van oprechte liefde voor volstrekte vreemden, zouden we zonder de marktwerking machteloos zijn om deze onbekende geliefden te helpen. Het is immers onmogelijk om alle relevante informatie en kennis te verzamelen over de specifieke noden van miljoenen mensen over de hele wereld. Zonder het prijsmechanisme dat ontstaat uit de markt om versplinterde kennis over allerlei omstandigheden te bundelen, bestaat er geen manier om te weten welke middelen op welk moment het meest nodig zijn op een bepaalde plek. Onze harten zouden breken in wanhoop bij het zien van onze onmacht om elkaar te helpen, al onze goede bedoelingen ten spijt.

 Maar toch leven we in relatief stabiele harmonie met miljoenen vreemden en gaan we dagelijks ontelbaar veel productieve samenwerkingen met hen aan. Vele mensen vergeten dat het de marktwerking is die deze voordelige samenwerking mogelijk maakt. Dankzij de marktwerking ontstaan er systemen van wederzijdse hulp en bijstand, daar waar we er anders nooit aan gedacht zouden hebben deze vreemden te helpen (al was het maar omdat we niet eens wisten dat ze bestonden). Zo vereist een verzekering niet dat iedereen elkaar kent en diep om elkaar geeft, terwijl ze er wel voor zorgt dat we elkaar uit de nood helpen. De vrije markt stelt ons dus in staat om op een harmonieuze wijze om te gaan met zowel onze eigen onwetendheid als met de zuinigheid van onze harten.

Vrije markten maken warme nesten

Het is niet alleen zo dat de markt het ons mogelijk maakt om sociale relaties van verschillende intensiteit aan te gaan waar zij anders niet zouden kunnen bestaan. De vrije markt is ook het kader waarbinnen we de meest waardevolle intieme relaties kunnen onderhouden met onze naasten.

In een markteconomie zijn familieleden minder economisch afhankelijk van elkaar. We kunnen dat aspect van ons leven als het ware ‘outsourcen’ naar anderen in de samenleving waar we een minder hechte relatie mee hebben. Dit heeft tot gevolg dat de ‘economische druk’ op relaties binnen een familie afneemt. Terwijl men vroeger zijn kinderen zo vroeg mogelijk op het veld liet werken omdat het gezin anders niet voldoende te eten had, kunnen we door economische vooruitgang op andere wijze in ons onderhoud voorzien – en dat in samenwerking met al die miljoenen vreemden over heel de wereld waarvan we het grootste deel nooit zullen ontmoeten of kennen.  Dat betekent dat er tijd vrijkomt die we kunnen besteden aan diepgaandere relaties met onze familieleden. Er is ruimte om het contact met de leden van onze intieme levenssfeer uit te diepen, juist omdat die andere, bredere sfeer van onpersoonlijke markttransacties bestaat.

Het menselijk gezicht van het kapitalisme

We hebben gezien dat de afkeer van de marktwerking voor een groot deel  veroorzaakt wordt door de focus op één soort moraliteit. Die exclusieve focus geeft een vertekend beeld van de sleutelrol van onpersoonlijke markttransacties. We kunnen onmogelijk de moraliteit die onze intieme en noodzakelijkerwijze beperkte levenssferen beheerst projecteren op de rest van de wereld. Dat is niet alleen onmogelijk door het feit dat mensen niet in staat zijn om op dergelijke schaal zo diep te geven om mensen die ze niet kennen, maar ook omdat we nooit de noodzakelijke kennis daartoe kunnen bezitten. De vrije markt zorgt ervoor dat we alsnog voordelige relaties kunnen aangaan met miljoenen vreemden waar we onmogelijk zoveel om kunnen geven, en dat we zo vreedzaam kunnen samenwerken. Daarenboven maakt de markt het mogelijk om onze bestaande intieme relaties meer diepgang te geven door de toenemende welvaart en vrijheid die ermee gepaard gaat.

Deze inzichten zijn echter geen vrijgeleide voor apathie. Natuurlijk is het bewonderenswaardig dat mensen zich onzelfzuchtig inzetten voor het welzijn van anderen. Sterker nog, de reden waarom liberalen zoveel vertrouwen hebben in individuele vrijheid en verantwoordelijkheid, is juist omdat zij ervan overtuigd zijn dat individuen en de gemeenschappen waar ze deel van uitmaken wel degelijk oprecht kunnen geven om het lot van anderen. Maar liberalen zien ook in dat dit op zichzelf genomen geen voldoende basis is om een duurzaam welvarende samenleving op te bouwen. Het zijn de onpersoonlijke transacties in de vrije markt die ons die basis geven. De vrije markt heeft geen overheden nodig om haar een menselijk gezicht te geven. De vrije markt zonder masker is inherent menselijk.

 

Dimitri Sonck

Comment