De rol van de vakbonden in de samenleving is altijd al een verhit topic geweest, niet in het minst in België. Ondanks het feit dat de vakbond om de zoveel tijd in de actualiteit komt en er al zeer veel inkt gevloeid is over het onderwerp kan men niet stellen dat het een debat is die gekenmerkt wordt door hoogstaande argumenten.

Zowel voor- als tegenstanders vervallen maar al te vaak in holle slogans en nietszeggende retoriek die grotendeels voorbijgaat aan de dieperliggende oorzaken. Deze tekst is daarom bedoeld als een poging om een kwalitatieve analyse te geven van hoe vakbonden functioneren.

Laat ons beginnen bij het discours die vakbonden hanteren om acties zoals stakingen te rechtvaardigen. In het discours is er een onmiskenbare socialistische/communistische toon aanwezig die ‘het kapitalisme’ verwijt de bron te zijn van extreme ongelijkheid, misdadige economische praktijken en zo verder… 


Vakbonden daarentegen zijn er zogezegd om een tegengewicht te bieden tegen het ‘casinokapitalisme’ en ervoor te zorgen dat er meer gelijkheid is in de verdeling van middelen en dat er solidariteit is onder de groepen die uitgebuit worden. 


Gelijkheid of belangenverdediging?


Hier worden we al direct geconfronteerd met een zeer eigenaardige contradictie: in de praktijk merken we weinig tot niets van deze standpunten van de vakbonden. Immers, pogingen om op Europees niveau volledig vrij verkeer van diensten te bekomen stoten steevast op protest van diezelfde vakbonden. Deze praktijk is blijkbaar niet toelaatbaar omwille van wat men redelijk ironisch ‘sociale dumping’ noemt. Gelijkheid slaat in de praktijk dus op het behoud van het eigen (hogere) nationale loonniveau ten opzichte van andere landen waarbij economische immigratie zoveel als mogelijk belemmerd wordt.


In de realiteit zien we dus dat vakbonden niet zozeer gedreven worden door utopische idealen zoals gelijkheid en solidariteit maar als het erop aankomt louter belangengroepen zijn om bepaalde economische privileges in stand te houden die in de meeste gevallen economisch al lang achterhaald zijn.


De acties van vakbonden zijn dus gebaseerd op de (foute) overtuiging dat er een fundamenteel belangenconflict is tussen verschillende klassen waarbij de ‘winst’ van de ene klasse noodzakelijkerwijs gelijk is aan het ‘verlies’ van de andere klasse. Dergelijke conflictsituaties zijn, in tegenstelling tot wat zij beweren, niet inherent aan het kapitalisme.


Conflicten tussen verschillende groepen kunnen enkel ontstaan als verschillende actoren zich verenigen en druk uitoefenen op de overheid om privileges te verkrijgen die niet inherent zijn aan het marktproces. Het meest evidente voorbeeld is de vorming van monopolies: natuurlijke monopolievorming is zeldzaam in de vrije markt, quasi alle bestaande monopolies zijn ingesteld door overheden.


Moest men de vrije markt laten spelen zouden dergelijke ineffectieve praktijken simpelweg niet kunnen blijven bestaan. Ludwig Von Mises legt de vinger op de wonde: “In a capitalist society the proprietary class is formed of people who have well succeeded in serving the needs of the consumers and of the heirs of such people. However, past merit and success give them only a temporary and continually contested advantage over other people. They are not only continually competing with one another, they have daily to defend their eminent position against newcomers aiming at their elimination. The operation of the market steadily removes incapable capitalists and entrepreneurs and replaces them by parvenus. It again and again makes poor men rich and rich men poor. The characteristic features of the proprietary class are that the composition of its membership is continually changing, that entrance is open to everybody, that continuance in membership requires an uninterrupted sequence of successful business operations, and that the membership is divided against itself by competition. The successful businessman is not interested in a policy of sheltering the unable capitalists and entrepreneurs against the vicissitudes of the market. Only the incompetent capitalists and entrepreneurs (mostly later generations) have a selfish interest in such “stabilizing” measures. However, within a world of pure capitalism, committed to the principles of a consumers’ policy, they have no chance to secure such privileges.”


De vos en zijn streken


Men kan echter niet anders dan vaststellen dat de vakbonden ondanks het afkalvende lidmaatschap en het grotendeels verdwijnen van de traditionele industriële machtsbasis er wonderwel in slagen hun groepsbelangen te blijven verdedigen. Hoe is dit mogelijk gezien de economische ineffectiviteit die dit met zich meebrengt?


Het antwoord ligt hem deels in het vermogen van vakbonden om intern een zeer sterke cohesie te bekomen via het interioriseren van bepaalde waarden en overtuigingen. Een voorbeeld van deze waarden en overtuigingen is dat bij een staking iedereen ‘solidair’ moet zijn met de stakers. 


Diegenen die niet deelnemen aan de staking omwille van individuele redenen of mensen die van buitenaf kritisch staan tegenover de staking worden bestempeld als ‘verraders’ of  ‘uitbuitende kapitalisten’. Om als individu in een vakbond tegen dit groepsdenken in te gaan is verre van evident.


Dit proces speelt echter niet enkel intern in de vakbonden, dergelijke strategieën hebben ook een bredere uitwerking in de samenleving: “The most curious thing about a strike is that the unions have been able to spread the belief throughout society that the striking members are still “really” working for the company even when they are deliberately and proudly refusing to do so. The natural answer of the employer, of course, is to turn somewhere else and to hire laborers who are willing to work on the terms offered. Yet unions have been remarkably successful in spreading the idea through society that anyone who accepts such an offer – the “strikebreaker” – is the lowest form of human life.”

Wanneer er dan toch een serieuze reactie komt tegen deze praktijken maken de vakbonden gebruik van een zogenaamde ‘last resort’, namelijk het gebruik van geweld. Het gebruik van geweld heeft een tweevoudige functie:

  1. Men probeert alsnog dissidente meningen/personen te doen schikken naar de vakbondslijn. Een voorbeeld hiervan is het gebruik van geweld tegen werkwilligen in de fabriek van Ford Genk omdat men een gezamenlijk front wilde vormen tegen Ford. Personen die voor zichzelf uitmaakten dat ze beter aan het werk bleven dan het werk neer te leggen werden verbaal en fysiek bedreigd en in sommige gevallen kwam het tot gevechten.
  2. Men probeert druk uit te oefenen op de beleidsverantwoordelijken om toegevingen te doen in het voordeel van de vakbonden. Dit neemt zeer vaak de vorm aan van massabetogingen in Brussel waarbij niet zelden (doelbewust) vernielingen worden aangericht om hun eisen kracht bij te zetten.

Dit gebruik van geweld door vakbonden wordt echter maar al te vaak goedgepraat door het gebruiken van drogredeneringen zoals ‘hoe zou je zelf zijn moest je in zo’n omstandigheid terechtkomen’ of ‘onze acties zijn minder misdadig dan wat ons wordt aangedaan’. Dergelijke redeneringen zijn niet meer dan een zwakke poging om legitimiteit te geven aan wat gewoon het agressief promoten van het eigen groepsbelang is ten koste van de samenleving als geheel.

 

Dries Glorieux

1 Comment