Comment

Onzekerheid, fragiliteit en de staat

Stijn D’Hondt schreef in de vorige editie van dit blad een artikel waarin hij argumenteert waarom hij ‘een staatloze samenleving onwenselijk zou vinden’ en hij,  ‘per consequentie, enige vorm van overheid noodzakelijk vindt’.  Hoewel hij een aantal interessante en belangrijke argumenten opwerpt, is die conclusie niet helemaal waterdicht.

 

De menselijke natuur 

Untitled4.png

Net als in zijn stuk in de laatste Neohumanisme van vorig academiejaar, wijst Stijn op aspecten van wat hij dan ‘de menselijke natuur noemt’, waarin we een aantal uitgangspunten kunnen vinden voor wat hij dan de noodzakelijkheid van een staat noemt. Hij gebruikt hierbij het voorbeeld van de Amerikaanse gezondheidszorg en het probleem van de grote groep onverzekerden: “De logica van de mens beperkt zich meer dan eens tot het heden, zonder de gevolgen in de toekomst in te schatten, laat staan er rekening mee te houden.” Verder stelt hij: “Had diezelfde burger namelijk in de tijd kunnen terugkeren, had hij allicht geen twee keer moeten nadenken om een verzekering te nemen.”

Deze stelling, namelijk dat mensen vaak enkel op de korte termijn denken, de toekomst niet of slecht inschatten, de lange termijn dus volledig of grotendeels buiten beschouwing laten en bijkomstig vaak fouten maken, lijkt me een zeer goede benadering van hoe beperkt mensen zijn (voor een uitgebreidere behandeling van de beperktheid van mensen en hoe we de mens dus moeten benaderen in theorievorming, verwijs ik naar de tekst die ik voor de vorige editie van Neohumanisme had geschreven).

Daarnaast vermeldt Stijn nog aspecten van de menselijke natuur, namelijk: “mensen zullen steeds in hun eigenbelang macht willen verwerven, en daarbij het algemeen belang terzijde schuiven.” Hieruit volgt dan, volgens hem, dat, “net omdat de mens inherent op zoek is naar macht, er altijd wel een overheersende speler op het toneel zal verschijnen, die een geweldsmonopolie weet te verwerven.”

Hij stelt zich ook de vraag of er ooit een mogelijkheid is voor een heuse paradigmashift, die nodig is om van het huidige statelijke structuren over te gaan naar niet-statelijke instituties en organisaties: “Daarnaast acht ik de kans klein dat we ooit in een anarchistische samenleving terechtkomen: er is simpelweg geen publiek draagvlak voor. Evenmin denk ik dat dat draagvlak er ooit komt, gelet op de menselijke natuur van onverschilligheid en een drang naar zekerheid.” Mensen streven naar zekerheid en, zo stelt Stijn het voor, een anarchistische samenleving zou er één zijn die gekenmerkt wordt door méér onzekerheid.

 

Mensen maken fouten, so what? 

Ik sluit me aan bij de stelling dat mensen fouten maken. De vraag die we ons moeten stellen is, hoe moeten we met die beperkte mensen omgaan. Hoe kunnen we ervoor zorgen dat de fouten die mensen maken, zo goed mogelijk opgelost kunnen worden, of zo weinig mogelijk systemische problemen of risico’s opleveren. Als mensen (bijna) altijd op de korte termijn denken, de lange-termijn risico’s onvoldoende of slecht kunnen inschatten, hoe zorgen we er dan voor dat de fouten die ze maken op basis van de beperkte kennis die ze hanteren en de beperkte doelen die ze nastreven (namelijk enkel die op de korte, maar niet die op lange termijn), toch geen enorme problemen opleveren voor een hele samenleving, of zelfs de hele wereld.

Dit is, in feite, een restatement van de vragen die N. Taleb probeert te beantwoorden, namelijk, welke systemen zijn fragiel en welke zijn anti-fragiel. Of, hoe kunnen we ervoor zorgen dat als iemand een fout maakt, zich vergist over wat de ‘juiste’ actie is om te ondernemen, er niet voor zorgt dat een volledig systeem instort, of een probleem in één sfeer van het handelen, niet alle sferen van het handelen in gedrang brengt.

Economen wijzen er dan op dat marktwerking een mechanisme heeft dat de fouten die mensen maken (als consument, producent, werknemer en/of werkgever) beoordeelt en dus ook probeert op te lossen, namelijk winst en verlies. Wanneer iemand in het marktproces een vergissing begaat, kunnen we dankzij de maatstaf van winst en verlies opmaken wat die fout was (hoewel dat niet altijd zo gemakkelijk is, kunnen we door de quasi continue iteratie van het marktproces achterhalen wat de precieze fout was) en proberen daar een verandering aan te brengen om die fout niet opnieuw te maken. Dit betekent dat het marktproces, omdat participanten winst of verlies kunnen maken, een incentive geeft om te leren. Het marktproces is in die zin dus ook een verderschrijdend leerproces.

Enorm belangrijk hier is dat we een verderschrijdend proces hebben, waarbij beslissingen gemaakt worden door een enorme veelheid aan participanten, waardoor er tegelijkertijd enorm veel acties ondernomen worden en er dus ook enorm veel gebeurtenissen zijn waaruit we kunnen leren. Enkel wanneer een significant deel van de beslissingen die gemaakt worden (en dus economische acties ondernomen worden) in het marktproces, fout blijken te zijn, verwachten we dus systeem-risico’s. Jij en ik die een foute inschatting maken, hebben een minieme invloed op het marktproces, wanneer we echter een enorme golf zien van slechte beslissingen (denk bijvoorbeeld aan slechte investeringen die deel uitmaken van een boom-bust cycle) spreken we van systeem-risico’s. In die zin kunnen we ‘de’ economie zien als een anti-fragiel systeem: niet alleen zorgen de incentives van het marktproces ervoor dat enkel een manipulatie van het prijsmechanisme (dat ons de maatstaf van winst en verlies geeft) een systeem-risico oplevert, het kan ontzettend goed omgaan met het realistische probleem van de neiging tot fouten maken dat waarschijnlijk effectief deel uitmaakt van de menselijke natuur.

Dit gaat niet op wanneer we spreken over overheden: het gebrek aan een deftig alternatief feedback-mechanisme zoals het prijsmechanisme en dus ook een gebrek aan de maatstaf van winst en verlies, zorgt ervoor dat we enkel een zeer rudimentair leerproces hebben. Wanneer Stijn dus stelt dat, bijvoorbeeld, een goed systeem van eigendomsrecht en contractrecht, dat evolueerde uit de interactie tussen mensen, en niet door de interventie van een overheid, “op termijn allicht tot een bevredigende oplossing zou kunnen komen”, draait hij het argument om. Op één of andere manier hebben overheden meer kennis tot hun beschikking, denken zij wel op de lange termijn, zou er een beter mechanisme zijn dat leren ondersteunt of in de hand werkt en/of kunnen zij wél in het algemeen belang werken. Dit in tegenstelling tot wat hij stelt wat de ‘menselijke natuur’ zou zijn. Wanneer mensen dus als mensen handelen, zijn ze enorm beperkt, mensen die als ‘beleidsmaker’ ageren, zouden minder of geen fouten maken.

 

Een Verlichte klasse?

Stijn beweert dus dat overheden een sneller en/of beter antwoord kunnen formuleren op bepaalde problemen. Zo zouden ze transactiekosten kunnen verlagen op een manier die ‘loutere’ marktwerking niet zou kunnen. Een argument hiervoor blijft echter uit, wat is dan de specifieke reden dat beleidsmakers minder fouten zouden maken? Waar halen ze meer kennis dan de kennis die gegenereerd en gebruikt wordt in het marktproces? Waarom zouden beleidsmakers wél op de lange termijn kunnen denken en ageren (ook al beweren politieke wetenschappers en economen het omgekeerde, namelijk dat de incentives van het politieke proces leiden tot een zeer extreem korte-termijn denken)?

Belangrijker nog, waarom zouden de mensen die participeren in het politieke proces (of de politieke elite), opeens boven de menselijke neiging van het streven naar meer macht en eigenbelang staan? Tenzij we ervan zouden uitgaan dat politieke elites één of andere Verlichte klasse zouden zijn, die boven de menselijke natuur staan, lijkt me dat argument moeilijk te maken.

De overheid lijdt aan belangrijke problemen die haar nog gevoeliger maken voor fouten en systeem-risico’s. Niet enkel is de overheid een enorme vermindering van beslissingscentra ten opzichte van de marktwerking, de kennis die ze tot haar beschikking zou hebben is van noodzakelijkerwijze kleiner en van beduidend slechtere kwaliteit (cf. het kennisargument van F.A. Hayek). Wanneer we niet, zoals in het marktproces, iedereen beslissingen laten maken en een maatstaf aanreiken om fouten te proberen verzachten of op te lossen, maar één beslissing voor een bepaald territorium laten gelden, waarbij die beslissing op een zeer beperkte kennis gefundeerd is, wat gebeurt er dan als die beslissing fout is? In plaats van een probleem voor enkel de marktparticipant, zien we dan een fout die noodzakelijkerwijze haar weerslag heeft op alle burgers, zo niet een nog grotere groep mensen (denk bijvoorbeeld aan de implosie van de Amerikaanse huizenmarkt, die haar globale effecten nog altijd laat voelen). De fouten die beleidsmakers maken, hebben niet enkel de neiging om omvangrijker te zijn, ze kunnen ook het hele ‘systeem’ of de hele samenleving in gedrang brengen. In die zin is een overheidssysteem er één dat gekenmerkt wordt door fragiliteit, waarbij vergissingen of fouten enorme gevolgen kunnen hebben (dit betekent niet dat vergissingen of fouten in het marktproces géén enorme gevolgen kunnen hebben, enkel dat de probabiliteit daarvan, ceteris paribus, veel kleiner is). 

In het licht van deze vergelijking, kunnen we ook dieper ingaan op de stelling van Stijn over onzekerheid als deel van de menselijke natuur. Hoewel niemand zou beweren dat het afschaffen van de staat, de gewelds-monopolist over een bepaald territorium, géén paradigmashift zou zijn, kunnen we ook niet handhaven dat dit een toename in onzekerheid met zich mee hoeft te brengen (noodzakelijkerwijze). Als we, zoals ik hier probeer duidelijk te maken, uitgaan van de aspecten van de menselijke natuur die Stijn formuleerde, met een bijzondere focus op de menselijke neiging tot fouten maken én een analyse maken van de overheid als zijnde een systeem dat leidt aan meer systeem-risico’s dan vrijwillige interactie, kunnen we dan echt stellen dat een overheidssysteem leidt tot meer zekerheid en een staatloze samenleving leidt tot meer onzekerheid?

 

Noodzakelijk kwaad?

Voor veel liberalen geldt dat ze de staat als een noodzakelijk kwaad beschouwen. Stijn geeft hier ook een specifiek argument voor: “Ik denk wel degelijk dat het verlangen naar macht een intrinsiek menselijk concept is, en dat bewegingen richting centralisatie van de macht nooit een loutere optelsom zijn van toevalligheden. Ik vrees dat we bijgevolg te maken hebben met een noodzakelijk kwaad: net omdat de mens inherent op zoek is naar de macht, zal er altijd wel een overheersende speler op het toneel verschijnen, die een geweldsmonopolie weet te verwerven.” Of nog concreter, “zou je slechts kunnen spreken van een theoretische en slechts tijdelijke scheidingslijn tussen een monarchie en een anarchie. In werkelijkheid zullen staten in een mum van tijd weer werkelijkheid zijn.”

Het mag duidelijk zijn dat ik het argument van Stijn niet volg wanneer hij stelt dat de overheid ‘noodzakelijk’ is. Ik probeerde in die zin in deze (en voorgaande) tekst te argumenteren waarom er een vergissing wordt gemaakt wanneer mensen stellen dat overheden bepaalde problemen of uitdagingen beter aan zouden kunnen gaan dan andere systemen. Verder durf ik stellen dat wat hij de ‘noodzakelijkheid’ van de staat noemt, eerder neerkomt op de ‘onafwendbaarheid’ van de staat. Dat een anarchische samenleving zou evolueren naar een waarin er wél een staat is, maakt de staat onafwendbaar, niet noodzakelijk. Ook met deze stelling heb ik problemen: ook dit gaat in op de fragiliteit en anti-fragiliteit van een samenleving. Niet elke staat is even fragiel als de andere, niet elke samenleving gebaseerd op vrijwillige interactie is even anti-fragiel als de andere. Ik zou echter wel stellen dat, ceteris paribus, een systeem dat méér anti-fragiel is dan een ander, minder snel of waarschijnlijk zal evolueren dan een ander. Met andere woorden, tenzij er goede argumenten zijn waarom een anarchische samenleving fragieler zou zijn dan een statelijke samenleving, lijkt die evolutie minder, niet meer, plausibel.

 

Maarten Wegge

Comment

Interview met Johan Van Overtveldt (door LVSV nationaal)

Comment

Interview met Johan Van Overtveldt (door LVSV nationaal)

LVSV: Om te starten, een passende inleidende vraag: bent u het nog niet beu dat LVSV’ers maar steeds aan uw deur komen kloppen?

Van Overtveldt: Neen, totaal niet. Het is een zeer dankbaar publiek. Wanneer je er gaat spreken, voel je steeds een grote aandacht voor wat je zegt en dit blijkt ook uit de verstandige vragen nadien, bovendien zijn het dan nog eens jonge mensen. Eén van de grote zaken die we vandaag missen is engagement, dat is er in jullie organisatie net wel. Ik denk dat ik trouwens nog nooit, wat ik geregeld met andere dingen doe, een uitnodiging van het LVSV heb afgeslagen. Jo De Tavernier vroeg me om voor zijn recent verschenen boek, ‘Mijn Amerika’, enkele bedenkingen te geven bij de Amerikaanse presidentsverkiezingen. Ik was onlangs nog in de Verenigde Staten en één van de zaken die ik in het boek aanhaalde, is dat de discussie er op een andere manier gevoerd wordt. Er wordt veel minder inhoudelijk gediscussieerd en veel meer om de persoon. Men moet veel meer durven praten over de echte relevante problemen zodat een maatschappelijk debat op gang komt. Het LVSV doet dit zeer goed, het is duidelijk voor welke waarden jullie staan. Los van jullie studentikoze activiteiten - want maak me niets wijs, ik ben ook student geweest – draait de discussie steeds om inhoud. Jullie hebben verbazend goede argumenten, zeker gezien jullie leeftijd. Dit inhoudelijke aspect mis ik vaak in onze samenleving.

Lees verder.

Comment

Comment

Kwaliteitsvol onderwijs voor iedereen: nobel streefdoel of utopie met perverse gevolgen?

Reactie op actie GSR 28 maart 2013

Vandaag betogen de studenten van de Gentse StudentenRaad voor meer publieke financiering van het hoger onderwijs. In hun strijdkreet weerklinken 7 eisen. Hun ambities lijken veelbelovend: kwaliteitsvol onderwijs voor iedereen, waardering van de hogescholen, maar tegelijkertijd zorgen dat diploma’s geen massaproduct worden. Helaas is hun verontwaardiging doorspekt met tegenstellingen, en roepen ze om meer van hetzelfde. 

De GSR eist dat 7% van de totale publieke financiering aan het onderwijs wordt toegewezen. Zo willen ze dat het hoger onderwijs verder wordt gedemocratiseerd. Ze willen dat iedereen toegang krijgt tot kwaliteitsvol hoger onderwijs; het mag geen privilege zijn van de ‘happy few’ (sic). Hoewel je hier op het eerste zicht moeilijk tegen kan zijn, mogen we de onbedoelde implicaties van hun uitgangspunten niet uit het oog verliezen. 

Kwaliteitsvol onderwijs voor iedereen, bestaat dat wel?

Wie kwaliteitsvol onderwijs wil genieten, verwacht per definitie van die instellingen dat ze een bepaald niveau hanteren. Daaruit volgt noodzakelijk dat je niet eender wie kan toelaten tot een bepaalde richting.

Wie vandaag uit het middelbaar onderwijs komt, heeft onmiddellijk een ticket beet om zich in te schrijven aan een hoger onderwijsinstelling. Bij gebrek aan financiële of andere drempels en de maatschappelijke verwachtingen van vandaag indachtig, starten dan ook heel wat mensen een opleiding. Gevolg: het studentenaantal is de voorbije jaren de lucht ingeschoten. Auditoria met trappen vol studenten zijn hier een tragisch gevolg van.

Hoewel heel wat mensen binnen de kortste tijd hun ambities om een diploma te behalen opbergen, kan niet ontkend worden dat een enorme toestroom van studenten de kwaliteit van het onderwijs niet ten goede komt. Kwaliteit en kwantiteit zijn dan ook in vele gevallen onverenigbaar.

De andere kant van de medaille: diploma-inflatie.

We mogen niet vergeten dat de vraag naar hoogopgeleide mensen niet noodzakelijk stijgt omdat de overheid ons onderwijs gretig sponsort. Door een stijging van het aantal afgestudeerden daalt noodzakelijk ook de kwaliteit van de behaalde diploma’s. Dit heeft als gevolg dat steeds meer mensen hun toevlucht nemen tot het behalen van meerdere diploma’s om het verschil te kunnen maken op de arbeidsmarkt. Ongebreidelde onderwijssubsidies die bedoeld zijn om iedereen ‘kwaliteitsvol’ onderwijs te  garanderen, bevatten met andere woorden een inherente imperfectie: door de kwaliteitsdaling van de diploma’s gaat iedereen meer en langer studeren. Men komt aldus terecht in een vicieuze cirkel. Het moet niet gezegd dat het systeem op die manier steeds meer onhoudbaar wordt, zowel voor de overheid als voor de studenten.  

Het komt er dan ook op aan een kat een kat te noemen. Hoger onderwijs is niet voor iedereen. Het is slechts bedoeld om mensen voor te bereiden op het uitoefenen van bepaalde categorieën beroepen. De vacatures voor deze beroepen zijn beperkt. Daar zal geen overheidsprogramma ooit iets aan veranderen. Universiteiten en hogescholen moeten durven intellectueel-‘elitair’ te zijn, zonder dat dat noodzakelijk een vies woord hoeft te zijn. 

Studenten kunnen geschift worden om allerlei redenen. Terwijl het wegnemen van financiële drempels niet noodzakelijk slecht is, is het wegnemen van prestatiedrempels nefast. In ons systeem wordt amper geschift tout court. Universiteiten en hogescholen zijn meer dan ooit diplomafabrieken. Ironisch genoeg klaagt de GSR dit gegeven wel aan, maar laat ze een kans liggen om voor meer responsabilisering te pleiten.

Responsabilisering als deus ex machina?

Uit ons betoog hierboven volgt dat een stijging van de overheidsuitgaven een systematische kwaliteitsdaling en een diploma-inflatie in de hand zal werken. Vanzelfsprekend heeft niemand hier baat bij.

Maar wat moeten we dan wel doen? Moeten we publiek onderwijs volledig afschrijven? Niet noodzakelijk. Het debat over de privatisering van het onderwijs is deels irrelevant: het gaat slechts om de keuze welke middelen gebruikt moeten worden om ons onderwijs meer te responsabiliseren. 

Een mogelijke oplossing is het afschaffen van de rechtstreekse financiering van onderwijsinstellingen en het vervangen ervan door een financiering van de student zelf. Op die manier blijft onderwijs betaalbaar voor iedereen, maar heb je wel de heilzame effecten van het feit dat universiteiten en hogescholen een zo goed mogelijk onderwijs dienen aan te bieden willen ze blijven verder bestaan. Een dergelijk vouchersysteem kan zelfs door niet-universitairen of niet-hogeschoolstudenten aangewend worden voor bijscholingen en dergelijke meer, waardoor diegenen die het geluk niet hebben om verder te studeren niet langer benadeeld worden.

Als we binnen ons hedendaags publiek denkkader blijven, kunnen we alvast concluderen dat een systeem van responsabilisering bijna volledig afwezig is. De recentste poging om een vorm van responsabilisering in te voeren, ons huidig studiepuntensysteem, kan niet bepaald een succesverhaal genoemd worden. Bissen of zelfs trissen kan immers nog steeds probleemloos en quasi-onvoorwaardelijk. In feite kan je na een jaar slagen meer dan 3 jaar een luilekkerleventje leiden en nog steeds studiepunten overhouden. De verhalen van mensen wiens inschrijving geweigerd wordt zijn zeer schaars. Een ‘game over-scenario’ blijkt slechts illusoir.

De lichtzinnigheid waarmee bepaalde mensen hun opleiding opvatten is simpelweg geïnduceerd door ons hedendaags systeem. Mensen beginnen vaak zonder nadenken aan een opleiding, omdat dit toch relatief kosteloos is in vergelijking met de werkelijke kost van een opleiding. De moral hazard om te bissen/trissen wordt overigens op dezelfde manier  in de hand gewerkt. 

Het is duidelijk dat ons systeem vandaag gebrekkig is in de zin dat studenten niet gewezen worden op het feit dat hun opleiding voor het overgrote deel betaald wordt door anderen. Responsabilisering kan dit euvel verhelpen, ofwel door het systeem van binnenuit te reguleren, ofwel door een grotere rol weg te leggen voor privaat onderwijs. Onenigheid over de middelen hoeft niet noodzakelijk te betekenen dat het doel uit het oog moet verloren worden.

We willen ten slotte de GSR eraan herinneren dat diegenen die de kans krijgen om aan de universiteiten en hogescholen te studeren net de ‘happy few' uitmaken. Vragen om een hogere financiering op kosten van de hele maatschappij, dus ook op de kap van de laaggeschoolden, is eerder cynisch te noemen.

Comment

Comment

Volgende activiteit: Boudewijn Bouckaert: de sociale enveloppe en de armoedeval

banner SocialeEnveloppe.jpg

In samenwerking met de klassiek-liberale, conservatieve denktank Libera! organiseert LVSV Gent een avond rond ‘de sociale enveloppe’. Op deze avond zal Prof. em. Boudewijn Bouckaert een uiteenzetting geven over de  studie van Libera!  hieromtrent.

De activiteit zal doorgaan op woensdag 27 maart om 20u in het Liberaal Archief, Kramersplein 23, Gent. De toegang is zoals steeds gratis. 

Comment

Comment

Persbericht LVSV naar aanleiding van het interview van Noël Slangen

fkslangen.jpg.h380.jpg

Het LVSV: We are nobody’s wife

Het Liberaal Vlaams StudentenVerbond ligt onder vuur. Volgens Noël Slangen zijn we een gevaarlijke, extreme en dissidente groep yuppies die binnenkort de Open VLD kaapt door er een soort Tea Party-beweging zoals in de VS van te maken. Zijn rechtvaardiging voor deze karikaturale omschrijving is een totaal uit de context gerukte uitspraak uit een LVSV-discussie van enkele jaren geleden. Maar we kunnen meneer Slangen geruststellen: we hebben niet de minste ambitie om ooit een Tea Party te worden

Geen cheerleaders van de Open VLD

Noël Slangen, tot nader orde een communicatiespecialist, komt dezer dagen uitgebreid in de pers met zijn uitgelekte visienota. Daarvoor was hij ook de man achter de trapscène van Gwendolyn Rutten. Vandaag moet het LVSV het ontgelden. 

Met het citaat “mag een kind dat in een private vijver aan het verdrinken is wel gered worden want daarvoor moet private grond betreden worden” komt Slangen in verschillende media waarschuwen voor het te donkerblauwe LVSV-gevaar dat stilaan de vormen van een Tea Party-beweging krijgt. 
Het was voor menig LVSV’er even schrikken om te lezen: ten eerste, we zijn geen cheerleaders van de Open VLD, van geen enkele partij overigens. Het punt partijonafhankelijkheid is één van onze fundamenten.
Ten tweede: we zouden een bijzonder slechte Tea Party zijn. Het is zelfs een beetje lachwekkend: het LVSV verenigt liberalen van het hele spectrum; van links-liberalen tot anarchisten, bij ons zitten ze samen aan tafel en gaan ze in debat. Onze opdracht is het overtuigen van studenten en een leerschool bieden voor de studie van het liberalisme. Wij schuwen de verschillen binnen de liberale ideologie niet maar we omarmen ze als een verrijking. Deze aanpak maakt het LVSV tot een succesverhaal: we zijn immers de grootste politiek-filosofische studentenvereniging van Vlaanderen. Het gaat om de ideeën, debatten, lezingen en studentikoze avonden. Ideeën, jawel. Van partijpolitiek houden we ons bewust ver weg, omdat dit niet onze finaliteit is.

Een liberaal redt het kind zelf

Om even dieper in te gaan op het citaat van Noël Slangen in verband met het verdrinkende kind. Zo’n uitspraak is bijzonder ongelukkig als het uit zijn context wordt gerukt. Bovendien is het één uitspraak van welgeteld één persoon op één activiteit. Dit als basis nemen voor een veralgemening van het LVSV is ronduit oneervol en gaat lijnrecht in tegen onze pluralistische visie . Als politiek-filosofische kring zijn zo’n onderlinge discussies over het liberalisme inherent aan ons opzet. Logica en argumentatie zijn voor ons van groot belang. En dat passen we toe op alle principes van het liberalisme: vrijheid, eigendom, zelfontplooiing, vrije marktwerking, solidariteit,… Er waren dan ook LVSV-leden aanwezig die het helemaal niet eens waren met de geponeerde stelling.

En overigens, zou Noël Slangen niet gewoon vergeten zijn dat de liberaal in kwestie zelf het verdrinkende kind zou redden, in plaats van te blijven staan kijken en roepen "waar blijft de overheid, het kind verdrinkt!”?

Kortom: het LVSV is nobody’s wife. Als partijonafhankelijke organisatie wensen wij verder niet betrokken te worden bij (voorzitters)verkiezingen van eender welke partij. Wij hebben geen enkel probleem met consultancy-opdrachten die de heer Slangen uitvoert voor welke partij dan ook, maar hij moet daarbij omzichtig omspringen met harde bewoordingen voor succesvolle studentenverenigingen die hij duidelijk nog niet genoeg doorgrond heeft.

Comment